Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
10 april 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met medeplegen van voorbereidingshandelingen van drugstransporten en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte was in een samenhangende strafzaak veroordeeld voor feiten gepleegd tussen 1 mei 2009 en 15 april 2011. Het hof baseerde de ontnemingsvordering echter op een kasopstelling die een bredere periode besloeg, namelijk van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010.
Het hof had bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bankstortingen en uitgaven vóór 1 mei 2009 betrokken, waaronder de aanschaf van meerdere luxe auto's en aanzienlijke bankstortingen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit niet voldoende had gemotiveerd, terwijl het uitgangspunt was om alleen voordeel te ontnemen dat direct verband hield met de bewezenverklaarde feiten.
De Hoge Raad bevestigde dat de eenvoudige kasopstelling een geldige methode is voor de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel, mits het bedrag voldoende gerelateerd kan worden aan de bewezen feiten. Omdat het hof onduidelijkheid had gelaten over de periode en motivering van de kasopstelling, werd de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de ontnemingsvordering wegens onduidelijke motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.