Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten gepleegd vóór 1 juli 2011.
Het Hof had toepassing gegeven aan de nieuwe versie van art. 36e Sr, terwijl de feiten zich voordeden onder het oude recht. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de nieuwe wet toepaste en onvoldoende heeft vastgesteld welke strafbare feiten het voordeel hebben opgeleverd.
Daarnaast is niet gebleken dat tegen betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, wat volgens het oude recht een vereiste is voor ontneming op grond van art. 36e.3 Sr.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.