ECLI:NL:PHR:2019:27
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beklagtermijn en status conservatoir beslag op auto in ontnemingsprocedure
In deze zaak staat centraal of klaagster ontvankelijk is in haar beklag tegen het beslag op een Porsche Cayenne en de resterende opbrengst daarvan, die conservatoir was gelegd ten laste van haar ex-partner in een ontnemingsprocedure. De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak zoals bedoeld in art. 552a lid 3 Sv.
De Hoge Raad herhaalt dat bij premature teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene, het klaagschrift het rechtskarakter heeft van een beklag op grond van art. 116 lid 3 Sv Pro, maar dat de termijn van art. 116 lid 3 Sv Pro niet van toepassing is als de kennisgeving van het voornemen tot teruggave niet is gedaan. In dat geval geldt de termijnregeling van art. 552a Sv. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat de vervolgde zaak in het kader van art. 552a lid 3 Sv ook de ontnemingsprocedure omvat, en dat bij conservatoir beslag alleen de vervolging van de verdachte ten laste van wie het beslag is gelegd relevant is voor het bepalen van het einde van de vervolgde zaak.
De Hoge Raad concludeert dat het klaagschrift van klaagster te laat is ingediend, omdat de ontnemingsuitspraak tegen haar ex-partner op 13 januari 2016 onherroepelijk werd en het klaagschrift pas op 5 september 2016 werd ingediend. Verder wordt besproken dat het conservatoir beslag op de auto is vervallen door executoriale verkoop door de pandhouder, waarna het beslag rustte op het executieoverschot, dat door het OM aan de curator is overgedragen. Dit betekent dat het OM de positie van beslagene had moeten respecteren en klaagster had moeten informeren over het voornemen tot teruggave.
Tot slot bespreekt de Hoge Raad de status van het conservatoir beslag na het einde van de vervolgde zaak en de overgang naar executoriaal beslag, waarbij derden zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden. De conclusie is dat het cassatieberoep niet kan slagen en dat de rechtbank terecht klaagster niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en klaagster is niet ontvankelijk in haar beklag wegens overschrijding van de termijn.