Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 januari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een klaagschrift van klaagster betreffende de teruggave van een conservatoir inbeslaggenomen auto, die executoriaal was verkocht en waarvan het overschot was overgemaakt aan het Openbaar Ministerie en vervolgens aan de curator in faillissement. De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak.
De Hoge Raad onderzocht of de termijn van veertien dagen uit art. 116, derde lid, Sv of de termijn van drie maanden uit art. 552a, derde lid, Sv van toepassing is bij premature teruggave aan een derde. Tevens werd beoordeeld of de 'vervolgde zaak' alleen de hoofdzaak betreft of ook de ontnemingsprocedure. De Hoge Raad bevestigde dat het klaagschrift ontvankelijk is zolang de vervolging niet is beëindigd, inclusief ontnemingsprocedures.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat het klaagschrift te laat was ingediend, maar stelde vast dat het klaagschrift feitelijk wel te laat was omdat de ontnemingsprocedure op 13 januari 2016 onherroepelijk was geworden en het klaagschrift pas op 5 september 2016 werd ingediend.
Verder werd bevestigd dat bij conservatoir beslag de termijn voor het doen van beklag pas verstrijkt wanneer de vervolging van alle verdachten is beëindigd. De Hoge Raad wees erop dat tegen verhaalsmaatregelen bij conservatoir beslag ook civielrechtelijke procedures mogelijk zijn. Het beroep van klaagster werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het klaagschrift werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak.