Conclusie
eerste middelklaagt ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 1. dat het kennelijke oordeel van het hof dat voor een bewezenverklaring op de voet van art. 273f lid 1 aanhef en onder 4 Sr voldoende is dat komt vast te staan dat sprake is van een uitbuitingssituatie getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het
tweede middelklaagt dat het oordeel van het hof dat sprake was van misbruik van een kwetsbare positie onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
derde middelvalt in twee onderdelen uiteen. Ten eerste wordt geklaagd dat het hof door bewezen te verklaren dat verdachte [benadeelde] heeft bewogen om ‘haar mededader’ te bevoordelen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 273f aanhef lid 1 en onder 9 Sr, nu daarin niet strafbaar is gesteld degene die een ander beweegt ‘een ander’ (in de zin van een derde) te bevoordelen. Ten tweede (en subsidiair) wordt geklaagd dat het in vereniging plegen ten aanzien van dit onderdeel van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.