Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor ontuchtige handelingen en mensenhandel. In cassatie werd aangevoerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden en de cassatiefase meer dan zestien maanden duurde.
De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn inderdaad had plaatsgevonden, wat een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf rechtvaardigde. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot vernietiging of nadere motivering.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van vijftien jaar naar veertien jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige afgewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van vijftien jaar naar veertien jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.