Conclusie
soort zaak: huurrecht huurder, referentie: Wstg Den Helder.” Tevens is hierop vermeld een melding op 6 december 2012 met code BAG.5.12A4511 met de omschrijving “
soort zaak: huurrecht huurder, referentie: schuur”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1is het eindarrest nietig nu dat mede is gewezen door een raadsheer die niet in de zetel zat die het pleidooi op 11 januari 2016 heeft aangehoord, zodat deze niet heeft kunnen meewegen wat tijdens dat pleidooi aan de orde is geweest.
subonderdeel 2.2is ten onrechte, althans onbegrijpelijkerwijs, niet uitdrukkelijk geoordeeld dat DAS is geslaagd in het opgedragen bewijs.
subonderdeel 2.1: het eindarrest zou nietig zijn, omdat dat is gewezen door een raadsheer die niet in de zetel zat ten overstaan waarvan het pleidooi in hoger beroep heeft plaatsgehad.
X/Zosta Beheeren
X/Holland Schering, waarop door Uw Raad (in het eerste geval met toepassing van art. 81 RO Pro) conform dit stelsel is beslist in die zaken [3] . Ik verwijs kortheidshalve naar die uiteenzettingen (in beide conclusies in 2.3 - 2.7), zonder deze hier integraal te herhalen; ik heb daar nu niets aan toe te voegen. Heel kort samengevat zijn de voor onze zaak van belang zijnde regels zo. In principe hoort een beslissing die mede steunt op een voorafgaande mondelinge behandeling te worden genomen door de rechters die die behandeling hebben gedaan om te waarborgen dat het verhandelde ter zitting echt wordt meegenomen bij die beslissing. Praktisch is dat niet altijd mogelijk en bij een wisseling van rechters tussen mondelinge behandeling
en de daarop volgende uitspraakmoet die wisseling aan partijen worden gemeld, wat voor hen aanleiding kan zijn om een nieuwe mondelinge behandeling te vragen, die alleen onder bepaalde omstandigheden gemotiveerd kan worden geweigerd in het belang van een voortvarende procesvoering. Die meldplicht van een rechterswisseling vervalt na de eerste uitspraak die op een mondelinge behandeling volgt. Dan wordt het initiatief om daarover inlichtingen te krijgen aan partijen gelaten.
subonderdeel 2.5dat het hof art. 7:940 lid 3 BW Pro ook bij zijn beoordeling van het door DAS bijgebrachte bewijs had moeten betrekken, anders dan het blijkens rov. 2.7 en 2.10 van zijn eindarrest heeft gedaan.
subonderdeel 2.5weliswaar tegen opkomt, maar niet met de klacht dat een voldoende kenbare grief is geformuleerd tegen het proportionaliteitsoordeel van de rechtbank uit rov. 4.13 als zodanig, of tegen het oordeel dat het hof dit rechtbankoordeel zo heeft uitgelegd; vgl. in gelijke zin s.t. DAS 3.12). Zij heeft wel onder ‘Grief IV’ gesteld dat rov. 4.8 tot en met 4.14 en het dictum van het rechtbankvonnis onjuist zijn, maar zonder daar een onderbouwing voor te geven bij grieven. Pas bij pleidooi in hoger beroep heeft Bloembollen Zijpe aangevoerd dat art. 7:940 lid 3 BW Pro dwingendrechtelijk voorschrijft wanneer een verzekeraar bevoegd is een verzekering tussentijds te beëindigen. Ten pleidooie heeft DAS daarop aangekaart dat dit een nieuwe grief is die in strijd komt met de twee-conclusie-regel. Nu zoals we zagen eerder geen kenbare grief was gericht tegen bedoelde proportionaliteitstoets van de rechtbank in rov. 4.13 van het vonnis an sich, is goed te volgen dat het hof dit bezwaar van DAS honoreert [15] , dat het hof geen aanleiding ziet om af te wijken van de twee-conclusie-regel en dat Bloembollen Zijpe geen afdoende verklaring heeft gegeven voor het feit dat het genoemde standpunt niet al bij grieven is ingenomen. Daarom komt het hof tot het oordeel dat de nieuwe grief buiten beschouwing moet worden gelaten. De klacht dat de door het hof gegeven bewijsopdracht gelet op art. 7:940 lid 3 BW Pro rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, kan in het licht van het voorgaande al niet slagen.
rechtsgeldigheeft opgezegd (rov. 3.7 van het tussenarrest). Daarin ligt besloten dat DAS de verzekering in overeenstemming met art. 7:940 lid 3 BW Pro heeft opgezegd en dat een eventueel beroep op de proportionaliteitstoets niet opgaat. Aangezien partijen in feitelijke instanties hebben getwist over de vraag of de teveel in rekening gebrachte energiekosten al op 5 (of 6) december 2012 bij DAS zijn gemeld, of dat op 22 februari 2013 een nieuwe gebeurtenis bij DAS is gemeld, is de bewijsopdracht aan DAS van haar stelling dat zij de verzekering heeft opgezegd binnen twee maanden nadat de verzekerde een gebeurtenis heeft gemeld die voor DAS tot verlening van rechtsbijstand kan leiden, niet onbegrijpelijk. Het hof behoefde de proportionaliteitstoets bij de formulering daarvan niet te betrekken, omdat de toepassing van die toets vanwege het ontbreken van een grief tegen rov. 4.13 van het vonnis in eerste aanleg geen onderdeel vormde van de rechtsstrijd tussen partijen in appel. Op dit punt heeft het hof blijkbaar niet anders geoordeeld dan de rechtbank heeft gedaan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
subonderdelen 1.1 en 2.5aanvoeren dat art. 7:940 lid 3 BW Pro van dwingend recht is en dat het hof deze bepaling ambtshalve had moeten toepassen, wordt eraan voorbij gegaan dat ambtshalve aanvulling van rechtsgronden
buiten de grieven omalleen mogelijk is bij dwingend recht dat van openbare orde is. Volgens mij kwalificeert art. 7:940 lid 3 BW Pro niet als dwingend recht van openbare orde – het cassatiemiddel voert dat ook niet aan overigens – ook al is niet eenvoudig uit te maken welke dwingendrechtelijke regels van openbare orde zijn [16] .
energierekeningheeft geen betrekking op dezelfde “gebeurtenis” als de melding van 5 of 6 december 2012 over het
ontruimingsgeschiltussen Steclan en haar verhuurder/verpachter. Dat deze beide kwesties vervolgens in dezelfde procedure aan de rechter zijn voorgelegd (en voortvloeien uit dezelfde huurverhouding), maakt dat niet anders. Dat zit zo.
subonderdeel 2.4slaagt dan evenmin.
subonderdeel 2.2is ten onrechte, althans onbegrijpelijkerwijs, niet uitdrukkelijk geoordeeld dat DAS is geslaagd in het opgedragen bewijs. Die klacht lijkt mij tevergeefs.
bevestigingvoor de door DAS in deze procedure ingenomen stelling dat het bestaan van het geschil over de energiekosten niet eerder dan op 22 februari 2013 bij DAS bekend is geworden (rov. 2.3 eindarrest). Nu de getuigenverklaring van [betrokkene 1] (getuige van Bloembollen Zijpe) door het hof als “onvoldoende concreet” wordt bestempeld, en volgens het hof “niet de stelling van Bloembollen Zijpe [bevestigt] dat het geschil over de energiekosten daadwerkelijk op 5 of 6 december 2012 bij DAS is gemeld”, waar bij komt dat [betrokkene 1] niet heeft verklaard wie die melding namens Bloembollen Zijpe zou hebben gedaan en op welke wijze die melding zou zijn gedaan (rov. 2.4), is het oordeel van het hof, dat de verklaring van [betrokkene 1] van onvoldoende gewicht is om hetgeen blijkt uit de overgelegde stukken en de getuigenverklaring van [betrokkene 2] te kunnen weerleggen (rov. 2.3) en dat DAS daarom in haar bewijsopdracht is geslaagd, niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2.6deelt het lot van de hiervoor besproken onderdelen.