Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
affidavit, vermelde feiten”. [1]
eerste middelklaagt dat de voor uitlevering vereiste verdragsgrondslag ontbreekt voor de feiten die in het uitleveringsverzoek zijn aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid.
affidavit, vermelde feiten”.
A. THE ACCUSED
[opgeëiste persoon]with
Complicity to Commit Genocide, a crime stipulated in Article 98 (3) and 132 (5) of the Rwandan Penal Code; as well as Article III (e) of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide.
Extermination as a Crime against Humanity, a crime stipulated in the Penal Code of Rwanda, particularly in Article 120 (2); as well as in Article 1 (b) of the Convention of Non-Applicability of Statutory Limitations to War Crimes and Crimes against Humanity, in that, on or between 7 April and July 1994, in RUHASHYA Commune, of the former BUTARE Préfecture, in the Republic of Rwanda; [opgeëiste persoon] is liable for killing persons, or causing persons to be killed during mass killings attacks, as part of widespread or systematic attack directed against the civilian population.
tweede middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de opgeëiste persoon “door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering”. De toelichting op het middel bevat meerdere klachten die erop neerkomen dat de opgeëiste persoon wel degelijk zal worden blootgesteld aan een zodanig risico en dat de rechtbank dit dus ten onrechte niet aannemelijk heeft geacht. In dit verband wordt gewezen op twee rechterlijke uitspraken die eveneens betrekking hebben op de uitlevering van Rwandezen aan Rwanda in verband met hun betrokkenheid bij de genocide in Rwanda. Ook zou de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat het monitoren “van de processen in Rwanda maakt dat een effectief rechtsmiddel voorhanden zou zijn tegen een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro.” Met deze klachten richt het middel zich tegen de twee voorwaarden die de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 21 maart 2017 heeft gegeven waaronder de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar mag verklaren naar aanleiding van een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen. [10] Op deze voorwaarden kom ik terug.
3.2 Het standpunt van de opgeëiste persoon
De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter wel een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren.
[…]
i. The right not to be compelled to testify against himself or herself or to confess guilt.”
[…]
De officier van justitie stelt dat niet is aangevoerd dat er geen effective remedy is tegen een EVRM schending. Misschien staat dit er niet letterlijk in, maar het is impliciet duidelijk dat die effective remedy er niet is. Die zou dan in Rwanda gevonden moeten worden, terwijl betoogd is dat de onafhankelijkheid en rechtsbijstand er niet is. Te zien is bovendien dat Rwanda beslissingen van het African Court on Human and Peoples’ Rights naast zich neerlegt.”