Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
16 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag die uitlevering aan Rwanda toestond wegens betrokkenheid bij genocide in 1994. De verdediging voerde aan dat genocide in Rwanda in die periode niet strafbaar was volgens het legaliteitsbeginsel en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom dit verweer werd verworpen.
De Hoge Raad herhaalt dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het legaliteitsbeginsel niet wordt geschonden indien het feit ten tijde van het plegen strafbaar was naar internationaal recht. Rwanda had het Genocideverdrag in 1975 geratificeerd en genocide was volgens internationaal gewoonterecht al strafbaar vóór 1994.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat genocide in 1994 voldoende 'accessible' en 'foreseeable' was als strafbaar feit, en dat de strafbaarheid ook bij nationale wetgeving in Rwanda was vastgelegd. De Hoge Raad achtte de motivering van de rechtbank toereikend en verwierp het beroep. Hiermee blijft de uitlevering aan Rwanda voor vervolging wegens genocide in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Rwanda wegens genocide wordt bevestigd.