Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat het legaliteitsbeginsel zoals vervat in art. 7 EVRM Pro is geschonden omdat genocide ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht ‘geen strafbaar feit vormde naar Rwandees recht’. Het middel valt uiteen in drie klachten die als volgt kunnen worden samengevat:
- De eerste klacht houdt in dat de rechtbank ten onrechte het verweer, dat de uitlevering moet afstuiten op het legaliteitsbeginsel omdat genocide ten tijde van de ten laste gelegde feiten in Rwanda niet strafbaar was gesteld, heeft verworpen op grond van het feit dat genocide ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar internationaal gewoonterecht strafbaar was.
- De tweede klacht houdt in dat strafbaarheid naar internationaal gewoonterecht onverlet laat dat mede getoetst dient te worden aan het legaliteitsbeginsel in het licht van de strafbaarheid van de feiten binnen de nationale rechtssfeer en dat in dat verband van belang is dat voor genocide ‘geen toepasselijke wettelijke sancties [waren] voorzien ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht’.
- De derde klacht houdt in dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste opvatting van het internationaal gewoonterecht. Betoogd wordt met een beroep op twee rapporten van de International Law Commission van de VN dat er pas sprake is van internationaal gewoonterecht, als het verbod van genocide ten tijde van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht ook onderdeel uitmaakt van ‘State practice’ en als zodanig is strafbaar gesteld in Rwanda. Hierbij wordt een beroep gedaan op uitspraken van het Franse Cour de Cassation waarin de uitlevering aan Rwanda wegens genocide ontoelaatbaar werd geacht wegens strijd met het legaliteitsbeginsel, vanwege het ontbreken van een strafbaarstelling in Rwanda ten tijde van feiten waarvoor uitlevering werd verzocht.
strafbaarheidvan genocide moet worden onderscheiden van de vraag naar het
verbodvan genocide. Het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide bevat in artikel V verplichtingen voor Staten om genocide strafbaar te stellen maar bevat geen strafbepalingen. [5] Ook de artikelen IV en VI, waarin de bestraffing van verdachten van genocide wordt voorgeschreven, bevat geen sanctiebepalingen. [6]
voorafgaandaan de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht in Rwanda strafbaar was gesteld, maar om de vraag of genocide
thansin Rwanda strafbaar is gesteld. Deze strafbepaling kan immers terugwerkende kracht hebben omdat een staat met een beroep op internationaal recht bepaalde misdrijven met terugwerkende kracht strafbaar kan stellen. [8] Op die situatie ziet art. 7 lid 2 EVRM Pro waarin staat:
The crime of genocide means any of the following acts committed with intent to destroy, in whole or in part, a national, ethnical, racial or religious group as such, whether in time of peace or in time of war:
1 ° killing members of the group;
2° causing serious bodily or mental harm to members of the group;
3° deliberately inflicting on the group harm calculated to bring about physical destruction in whole or in part;
4° taking measures intended to prevent births within the group;
5° forcibly transferring children of the group to another group.
Any person, who commits, in time of peace or in time of war, the crime of genocide as provided in the preceding Article, shall be liable to life imprisonment with special provisions.’
tweede middelbevat als eerste klacht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de verwerping van de onschuldexceptie zoals verwoord in art. 26 lid 3 Uitleveringswet Pro, met name dat de rechtbank van een te restrictieve toepassing van de onschuldexceptie zou zijn uitgegaan, en als tweede klacht dat de rechtbank gelet op art. 28 lid 2 Uitleveringswet Pro gehouden was in de uitspraak te vermelden “hetgeen de rechtbank te dien aanzien heeft bevonden” nu zij “niettegenstaande” de onschuldbewering de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard.
derde middelwordt geklaagd dat de rechtbank op onjuiste dan wel onbegrijpelijke gronden heeft aangenomen dat [de opgeëiste persoon]’s recht op een eerlijk proces voldoende zou zijn gegarandeerd en zich blijkens rechtsoverweging 6.10.3 heeft gebaseerd op het vertrouwensbeginsel en de garanties die door Rwanda in dit verband zijn gegeven ‘terwijl de rechtsrealiteit in Rwanda geheel anders is’. Op de keper beschouwd is het middel ongelukkig geformuleerd. De uitleveringsrechter mag zich immers slechts uitlaten over de vraag of er in het geval van [de opgeëiste persoon] een reëel risico is op een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro. Het is niet aan de uitleveringsrechter maar aan de Minister om te beoordelen of het recht op een eerlijk proces als zodanig voldoende is gegarandeerd. Ik zal het middel en de toelichting daarop echter als één geheel lezen en het slot van de toelichting als klacht beschouwen. Die klacht houdt in “dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake zou zijn van het blootgesteld worden aan het risico op een inbreuk op rekwirant’s rechten op een eerlijk proces, onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd”.
vierde middelklaagt over schending van de artikelen 10 en 11 Uitleveringswet doordat de rechtbank ‘niet bij de zogeheten mensenrechtenexceptie heeft betrokken’ dat de vervolging van [de opgeëiste persoon] in Rwanda een politiek karakter heeft en doordat de rechtbank is voorbijgegaan aan het “internationaalrechtelijke gegeven dat ’genocide’ niet perse een ’gedepolitiseerd’ delict is.”