Conclusie
•feit 1B “met het oogmerk om
- een in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk,
- een in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf,
- een in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, te begaan met een terroristisch oogmerk,
voor te bereiden en/of te bevorderen, door gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich of anderen trachten te verschaffen”,
• feit 1C “zich kennis en/of vaardigheden bijbrengen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf”,
• feit 2A “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, en
• feit 2B “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Voorts heeft het hof zowel het verzoek tot schorsing als het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. [1]
1C (derde cumulatief/alternatief) trainen voor terrorisme
opzettelijk zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk; en/of
- moord ( te) begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en/of 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk; en/of
- het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen,
A. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en/of is afgereisd naar Syrië;
B. deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië onder meer door zich te bekwamen in het omgaan en/of schieten met vuurwapens en/of zich (verder) bekwaamd in het deelnemen aan dan wel (verder), ingebed raken in een organisatie/groep die de gewapende Jihadistische strijd voert; en/of
C. vanuit Syrië (een) ander(en) in het strijdgebied in Syrië gebracht en/of begeleid en/of in het strijdgebied in Syrië opgevangen, dan wel hiervoor zorg gedragen.
Artikel 134a Wetboek van Strafrecht”
(1C derde cumulatief/alternatief) trainen voor terrorisme
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en
- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk; en
- moord ( te) begaan met een terroristisch oogmerk; en
- voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en/of 288a Sr jo 287 Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk;
immers heeft verdachte
A. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en is afgereisd naar Syrië;
B. deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië; en
C. een ander in het strijdgebied in Syrië begeleid en opgevangen.”
Deelnemen aan een trainingskamp” en volsta ik voor het overige met verwijzing naar de bijlage. Het gaat om de volgende bewijsmiddelen:
proces-verbaalvan bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Zilt, p. 250-251):
Nadat hij in oktober 2013 uit Syrië was teruggekeerd is [betrokkene 8] op 10 april 2014 gehoord als getuige in het kader van een rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto's van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 108 als een persoon genaamd [verdachte] . Deze persoon was altijd samen met een Nederlander die hij kende als [betrokkene 10] . Hij had hem in het paleis in Kafr Hamra, Syrië, gezien en af en toe in het trainingskamp.
werd door [betrokkene 8] aangewezen op foto nummer 10. Deze [betrokkene 10] kende hij van vroeger uit België waar deze naar lezingen kwam. [betrokkene 8] had hem in het paleis, in de villa en op straat in Kafr Hamra gezien. Foto nummer 10 betreft [betrokkene 10] .
De verklaring van de verdachteDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2015 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Het klopt dat ik degene ben op de foto op pagina 255 (hof: fotoblad 108) van het dossier.
proces-verbaalvan bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Vanille, p. 112-113):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit de verhoren van [betrokkene 8] blijkt dat hij op 22 februari 2013 in Syrië is aangekomen. Een dag later, op 23 februari 2013, is hij naar een trainingskamp gebracht in Sheikh Suleyman in Syrië. Hij zat daar in het trainingskamp van de organisatie Maghlis Shura Mujahideen. Deze rebellengroep staat in Aleppo onder leiding van een persoon met de bijnaam [betrokkene 11] . In dit trainingskamp heeft hij een tiental Nederlanders ontmoet.
Het trainingskamp werd volgens hem ook gebruikt door de organisaties van de Jabhat al Nusra en de rebellengroep onder leiding van [betrokkene 12] .
Tussentijds is hij van 28 februari tot 1 maart 2013 nog terug geweest in de villa in Kafr Hamra in Syrië. Uiteindelijk heeft men hem, omdat hij kennelijk niet vertrouwd werd door de organisatie waar hij zich bij had aangesloten, weer gevangen gezet in een cel in het trainingskamp.
Op 16 april 2013 is hij tijdelijk vrijgelaten en heeft hij enkele dagen actief deelgenomen aan het trainingskamp in Sheik Suleyman in Syrië. Dit trainingskamp lag volgens hem op een afstand van ongeveer 30 minuten rijden van de villa in Kafr Hamra. In het trainingskamp Sheikh Suleyman kreeg men volgens de verklaring van [betrokkene 8] zowel militaire, fysieke als religieuze trainingen. Tijdens de trainingen werd geleerd om tijdens de gevechten geen gevangenen te nemen maar die gelijk te doden. Dit trainingskamp was volgens hem verplicht voor iedereen die nieuw binnenkwam in de organisatie Maghlis Shura Mujahideen en duurde 20 dagen tot een maand.
proces-verbaalvan bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Vanille, p. 121-122):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige in het kader van dit rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto's van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 93 als een persoon die [betrokkene 4] werd genoemd. [betrokkene 8] verklaarde in algemene zin dat alle personen die hij van de foto's herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp. Foto nummer 93 betreft [betrokkene 4] .
geschrift, inhoudende een kennisdocument van dr. J. Jolen ‘Van opstand naar Jihad’ d.d. 1 augustus 2014. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Algemeen dossier deel 2 blz. 224-226 en 245):
In juli 2012 komt een jihadistische groep met de naam
Mujahedin Shura Council, ook wel de
Shura Council of the Islamic Stategenoemd in het nieuws die actief is in de Syrische provincie Idlib. Lund omschrijft de groep in zijn studie naar salafistische opstandelingen in Syrië van maart 2013 als ‘
a small extremist jihadi-salafi network’ voornamelijk actief in de regio Aleppo.
De groep bestaat grotendeels uit buitenlandse strijders en expat Syriers, die met Jabhat al-Nusra samenwerken.
Majlis Shura al-Mujahideen, ofwel de
Shura Council of the Islamic State, zou de eerste tak van Abu Bakr al-Baghdadi's ISI in Syrië zijn geweest. [betrokkene 13] heeft de leiding over Majlis overgenomen. Met de komst van al Baghdadi naar Syrië, zou [betrokkene 13] de eed van trouw aan hem hebben afgelegd. Inmiddels zou hij door ISIL zijn aangesteld als de
wali[gouverneur] van Aleppo.
Over de training in Syrië stelt [betrokkene 14] (= [betrokkene 14] ) in een Volkskrant interview:
“De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken. Hierna kun je actief participeren op het slagveld, de rest van de training bestaat uit het opdoen van ervaring, en instructies en lessen die je regelmatig krijgt. Maar na minimaal zes weken training krijg je pas het recht om op zoek te gaan naar het martelaarschap.
raakte in november 2013 zwaargewond en overleed 2 weken later.
proces-verbaal vanbevindingen d.d. 8 april 2014 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ZD Zilt, p. 124):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
[betrokkene 14] is geïdentificeerd als [betrokkene 14] , geboren [geboortedatum] 1987, afkomstig uit [plaats] . Hij is in november 2013 tijdens de strijd in Syrië omgekomen.
geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 1 juli 2013 om 14:49:45 uur. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (ZD Zilt, p. 56):
[betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ) wgd [verdachte]
[betrokkene 1] zegt: Ik weet niet of jij [betrokkene 14] enzo nog spreekt?
[verdachte] zegt: Ja ik spreek hem nog. Ik ga met hem praten en ga dat proberen te regelen.
proces-verbaalvan de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Den Haag van 6 juli 2017. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 6 juli 2017 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :
Ik ben van februari tot april 2013 in Syrië geweest. Ik ben op 27 april 2013 teruggekomen. Ik heb in een trainingskamp in Shaik Suleyman gezeten. Ik heb [betrokkene 8] in dat trainingskamp in Syrië gezien. Hij deed daar alle trainingen. Ik heb [betrokkene 10] op dezelfde plek in Syrië gezien. Hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd.
geschrift, inhoudende een
schriftelijke verklaringvan verdachte overgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2017. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 29 juni 2013 om 23:21:39 uur (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal, [betrokkene 9] gebruiker van [telefoonnummer] , van 3 februari 2014, van Regiopolitie Haaglanden). Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven- (ZD Anijs, p. 49):
[betrokkene 1] wgd [betrokkene 9] (hof: [betrokkene 1] )
[betrokkene 9] zegt dat [betrokkene 10] (hof: [betrokkene 10] ) en [verdachte] (Hof: [verdachte] ) een appartement hebben. [betrokkene 15] en zijn vrouw zijn er ook. [betrokkene 9] vertelt dat hij met [betrokkene 15] in dezelfde kamer zat.
proces-verbaalvan bevindingen d.d. 6 januari 2015 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Caramel, p. 2030):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Uit historische verkeersgegevens bleek tevens dat [betrokkene 9] op 24 maart 2013 vanuit België naar Turkije en uiteindelijk Syrië vertrok. Op 26 maart 2013 gaf hij via een sms bericht aan bij de broeder in de auto te zijn.
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige.
geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 28 juni 2013 om 20:16:04 uur. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Anijs, p. 215):
[betrokkene 1] (sh) bn [betrokkene 9] .
zegt dat hij nooit meer Maaskar (militaire kamp) zou gaan doen omdat dat erg pittig was. Hij moest een uur hardlopen, onder de grond kruipen en slingeren van de ene paal naar de andere.”
Deelnemen aan een trainingskamp (feit 1B sub b en feit 1C, sub b)”overwogen:
De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat [betrokkene 8] erom bekend staat dat hij leugens vertelt. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 8] heeft gelogen. De verdediging heeft aangevoerd dat zijn verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Het hof acht de verklaring van [betrokkene 8] op de navolgende – in samenhang te lezen – gronden betrouwbaar en daarmee ook bruikbaar om voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde te gebruiken.
d) Dr. J. Jolen haalt in haar rapport een interview aan met [betrokkene 14] ( [betrokkene 14] ) uit [plaats] die zegt:
“De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken.”
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 18 september 2017 volgt dat zij een rechtshulpverzoek aan België heeft gedaan, maar [betrokkene 8] niet door haar als getuige kan worden gehoord.
Het hof concludeert dat de verdachte heeft deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië. De opmerking van [betrokkene 8] dat de verdachte met vrouw en kinderen in Syrië was houdt het hof voor onjuist maar legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover hetgeen hij overigens heeft verklaard en hetgeen steun vindt in andere bewijsmiddelen.”
Conclusie ter zake van feit 1CArtikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Kwalificatie onder die bepaling is niet mogelijk indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme ontbreekt.
Naar het oordeel van het hof kan de onder B bewezenverklaarde handeling worden gekwalificeerd als het deelnemen aan een training in de zin van artikel 134a Sr. De verdachte heeft na zijn aankomst in Syrië deelgenomen aan een militair trainingskamp van de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen die bestond uit buitenlandse strijders.
[...]
eerste middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte wat betreft het onder 1C tenlastegelegde feit. Niet zonder meer begrijpelijk is dat in Nederland ter zake van dit feit rechtsmacht bestaat, zo luidt de klacht.
nietstrafbaar is, terwijl bovendien geen andere grond voor rechtsmacht valt aan te wijzen. Is aan voorwaarde (iii) dat ter zake van de dubbele strafbaarheid geen verweer is gevoerd óók voldaan, dan zal zo een ernstig en rechtstreeks vermoeden zelden opkomen. Rijst zo een vermoeden niet, óf is tevens een andere grond voor rechtsmacht aanwijsbaar, dan is een ernstig vermoeden dat geen rechtsmacht bestaat niet aan de orde en is de rechter dus niet gehouden van een onderzoek naar de strafbaarheid van het feit in het land waar het is begaan ambtshalve blijk te geven. Mitsdien kan in cassatie in beginsel niet meer nader worden onderzocht in hoeverre het (kennelijke) oordeel van de feitenrechter over de dubbele strafbaarheid juist en begrijpelijk is.
nietstrafbaar was? En is ook geen andere grond voor rechtsmacht aanwijsbaar? Aan de laatste vraag kom ik niet toe, omdat ik meen dat de eerste ontkennend moet worden beantwoord. [23] Toegegeven moet worden dat niet zonder meer uit de stukken van het geding (voor zover in cassatie beschikbaar) blijkt dat het onder 1C tenlastegelegde feit naar Syrisch recht wél strafbaar is, en ook is het namens het Openbaar Ministerie in hoger beroep ingenomen standpunt dat te dier zake rechtsmacht bestaat gebaseerd op art. 2 Sr Pro. Maar uit dit één en ander rijst nog niet een ernstig en rechtstreeks vermoeden dat het feit naar Syrisch recht niet strafbaar is. Zo een vermoeden klinkt naar mijn mening evenmin door in de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde vertaling van antiterrorismewetgeving uit Syrië, mede in aanmerking genomen dat de in art. 5, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr (oud) c.q. art. 7, eerste lid, Sr vervatte voorwaarde van dubbele strafbaarheid weliswaar vergt dat op het aan de verdachte verweten feit door de wet van het land waar het werd begaan, straf is bedreigd, doch niet dat het feit aldaar op dezelfde wijze als naar Nederlands recht strafbaar is gesteld. [24]
tweede middelklaagt dat uit de bewijsvoering ter zake van feit 1C niet (voldoende) kan worden afgeleid óf de verdachte “kennis en/of vaardigheden tot” het plegen van de in de bewezenverklaring aangeduide terroristische misdrijven en misdrijven ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf heeft verworven en evenmin wélke kennis en/of vaardigheden.
De voorgestelde aanvulling, die verband houdt met de strafbaarheid van het meewerken aan training voor terrorisme, heeft een internationale achtergrond. Zij hangt samen met artikel 7 van Pro het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34) dat de verdragspartijen verplicht «training voor terrorisme» in hun nationale wetgeving strafbaar te stellen.
Teneinde te voorzien in strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het deelnemen én het meewerken aan training voor terrorisme in alle daarvoor in aanmerking komende gevallen stel ik voor een nieuw artikel 134a in het Wetboek van Strafrecht op te nemen.
[...]
Voor de uitvoering van de motie had kunnen worden volstaan met een aanvulling van artikel 96, tweede lid, onder 2°, Sr. Maar uit het navolgende zal blijken dat uitvoering van de verplichting tot strafbaarstelling van het geven van training voor terrorisme als bedoeld in artikel 7 van Pro het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme vergt dat aan de strafbaarstelling een ruimer toepassingsbereik wordt gegeven dan uitsluitend de terroristische misdrijven waartoe ook de samenspanning strafbaar is. Het College van Procureurs-generaal vestigde daar in zijn advies terecht de aandacht op.
Na ampele overweging is er voorts voor gekozen zowel het deelnemen als het meewerken aan training voor terrorisme in één delictsomschrijving onder te brengen. Daardoor krijgen beide gedragingen – deelnemen én meewerken – dezelfde reikwijdte. Dit verdient uit wetsystematisch oogpunt de voorkeur en wordt naar mijn oordeel ook gerechtvaardigd door het feit dat beide gedragingen nauwe verwantschap vertonen.
Voor de beantwoording van de vraag op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan artikel 7 van Pro het Verdrag zijn in het bijzonder twee punten van belang.
In de eerste plaats moet worden beoordeeld of elke vorm van instructie tot het plegen van een terroristisch misdrijf bestreken wordt door de Nederlandse strafwet. Net als bij het deelnemen aan een training dienen zich in dat kader vooral de strafbaarstellingen inzake strafbare voorbereiding, samenspanning, en het deelnemen aan een terroristische organisatie aan. Strafbaarheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen wanneer iemand instructies geeft en ten behoeve daarvan «informatiedragers», «ruimten» of «voorwerpen», bestemd tot het begaan van het terroristisch misdrijf voorhanden heeft. Denkbaar is voorts dat een specialist op het gebied van explosieven of vuurwapens deel uitmaakt van een als strafbare samenspanning te kwalificeren complot. Zo iemand kan ook behoren tot een terroristische organisatie en ter verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie andere leden lesgeven in het vervaardigen en gebruiken van wapens en explosieven. Ook voor die situaties is het bereik van de bestaande strafbaarstellingen genoegzaam.
Dit lijkt echter niet met volledige zekerheid te kunnen worden gesteld wanneer het gaat om het geval waarin «een training» wordt gegeven buiten het verband van een netwerk of complot. Voor de toepasselijkheid van artikel 46 Sr Pro geldt, ik gaf dit eerder reeds aan, dat het geven van training alleen een strafbare voorbereidingshandeling oplevert als de voorbereiding zich in iets stoffelijks heeft geconcretiseerd. En ten aanzien van artikel 96, tweede lid, Sr kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag in hoeverre het bestanddeel «het (anderen) trachten te verschaffen van inlichtingen» tevens omvat het bijbrengen van kennis en vaardigheden. In het licht van het bovenstaande is het wenselijk om te voorzien in een afzonderlijke, duidelijk omschreven strafbaarstelling waarmee wordt voldaan aan de verdragsverplichting tot het strafbaar stellen van «training voor terrorisme».
[...]
Over de formulering van de voorgestelde strafbaarstelling zij nog het volgende opgemerkt. De gekozen formulering sluit aan bij vergelijkbare delictsomschrijvingen in het Wetboek van Strafrecht terzake van strafbare voorbereiding. Uit de voorgestelde formulering blijkt dat het opzet van de dader gericht dient te zijn op het inzetten van de verworven kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Dit vormt een scherpe omlijning van de reikwijdte van de bepaling.
[...]
De NVvR stelde in haar advies over het conceptwetsvoorstel de vraag of ook andere vormen van kennisverwerving of bijbrengen van kennis dan in (echte) trainingskampen, strafbare voorbereiding als voorgesteld kan opleveren. De strafbaarheid van het deelnemen of meewerken aan training ziet niet uitsluitend op het verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden in het kader van een trainingskamp. Ook andersoortige opleidingsvormen zijn denkbaar. In dit verband stelde de NOVA in haar advies dat het toepassingsbereik van de strafbaarstelling op dit punt ruimer is dan de motie en het Verdrag vereisen. Die opvatting kan ik niet delen. In artikel 7 van Pro het Verdrag wordt immers met betrekking tot «training for terrorism» in algemene bewoordingen gesproken over «to provide instructions». De bepaling laat daarmee niet toe dat dergelijk handelen alleen in het kader van een trainingskamp strafbaar wordt gesteld.” [30]
Artikel 7 van Pro het Verdrag verplicht tot het strafbaar stellen van «training voor terrorisme». Onder «training voor terrorisme» dient ingevolge het Verdrag te worden verstaan: «het geven van instructies voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten». Het Verdrag gaat derhalve uit van een ruime omschrijving van het begrip «training voor terrorisme», die – althans wat de actieve kant betreft – overeenkomt met hetgeen in normaal spraakgebruik onder training wordt verstaan: het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken. De in artikel 134a Sr voorgestelde delictsomschrijving beoogt alle strafwaardige gedragingen die uitdrukking geven aan het begrip «training» te omvatten. Training is derhalve een verzamelbegrip dat in de delictsomschrijving met een aantal feitelijke begrippen wordt geduid.
Het volgen van schiet- of vlieglessen of het ondergaan van training in een vechtsport kan, wanneer betrokkene het opzet heeft de kennis of vaardigheden te verwerven voor het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar zijn op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr. Naar aanleiding van een aanverwante vraag van de leden van de fractie van het CDA merk ik op dat zulks ook het geval kan zijn wanneer kennis of vaardigheden via het internet worden verworven.
[...]
De vraag van de leden van de CDA-fractie of deelname aan een kamp, vergelijkbaar met het door deze leden gememoreerde kamp [het dierenactivistenkamp dat in augustus 2007 in Appelscha werd gehouden, EH] strafbaar zou kunnen zijn op grond van de voorgestelde strafbepaling kan in haar algemeenheid niet beantwoord worden. Dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij dient steeds bewezen te worden dat betrokkene kennis en vaardigheden wil verwerven om een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te plegen.
De leden van de fractie van de PvdA vroegen nader te verduidelijken op grond van welke verplichting in het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme het bereik van het voorgestelde artikel 134a Sr is gebaseerd. Graag verduidelijk ik deze leden dat daaraan de verplichting die is opgenomen in artikel 7 van Pro het Verdrag ten grondslag heeft gelegen. Dat artikel hanteert immers voor de omschrijving van het begrip «training» een opsomming van gedragingen die wordt afgesloten met «or other specific methods or techniques». Zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, wordt met het samenstel van gedragingen in de delictsomschrijving van het voorgestelde artikel 134a Sr de door het Verdrag gehanteerde ruime omschrijving van het begrip «training» geduid.
[...]
Naar aanleiding van vragen van deze leden over het bewijs van een terroristisch oogmerk bij de dader merk ik graag het volgende op. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr is vereist dat het opzet van de dader is gericht op het – kort gezegd – verwerven of bijbrengen van kennis of vaardigheden voor het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Bewijs voor het opzet van betrokkene zal bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit hetgeen bekend is over de achtergrond van de persoon van de verdachte. Zo is mogelijk informatie bekend over diens haat tegen de Westerse wereld, zijn fascinatie voor terroristisch geweld of over het radicaliseringsproces dat betrokkene heeft ondergaan. In het licht van het voorgaande kunnen ook de aard en het karakter van de training een rol spelen. Het karakter van de training en de gegeven instructies kunnen inzichtelijk maken welk doel betrokkene voor ogen heeft.
Over de reikwijdte van de voorgestelde delictsomschrijving zijn vragen gesteld door de leden Heerts, De Wit, Teeven, Pechtold en De Roon.
In antwoord op deze vragen wil ik graag verduidelijken dat strafbaarheid op grond van het voorgestelde artikel 134a Sr slechts kan worden aangenomen indien sprake is van opzettelijk handelen, ook ten aanzien van het criminele doel van de training. Het aanhangen van het salafistisch gedachtengoed of het koesteren van een fascinatie voor terroristisch geweld is op zichzelf beschouwd natuurlijk niet strafbaar. Zulks geldt evenmin voor het volgen van een training in een vechtsport of deelname aan een daarvoor ingericht kamp. Strafrechtelijke aansprakelijkheid komt pas in beeld als de fascinatie voor terroristisch geweld zich ontwikkelt tot een concreet voornemen om een terroristisch misdrijf te plegen, terwijl betrokkene daarvoor nog specifieke kennis en vaardigheden moet en wil opdoen. Onder die omstandigheden en bij voldoende bewijs daartoe zal een strafrechtelijke vervolging terzake van het nieuwe artikel 134a Sr kunnen worden ingesteld.
[...]
Met de heer De Wit ben ik het eens, dat als onderricht wordt gegeven in het monteren en plaatsen van bommen, dit geen onschuldige activiteit is en dat in dat geval geen sprake is van vredelievend trainingskamp. Een kamp met militaire trekjes waar gevechtshandelingen worden geoefend, valt echter niet automatisch onder de voorgestelde delictsomschrijving, zo kan ik de heer De Wit verder ten antwoord geven. Waar het om gaat, is dat degene die de opleiding verzorgt, wetenschap heeft omtrent de doelstellingen van de cursisten. Hij moet ervan op de hoogte zijn dat een of meer van zijn leerlingen de kennis en vaardigheden wil inzetten voor het plegen van terroristische aanslagen. Juist die wetenschap en het desondanks voortzetten van de opleiding maken de trainer strafbaar. In vergelijkbare zin is er reden om strafrechtelijke aansprakelijkheid aan te nemen voor degene die de training volgt; hem kan een zeer kwalijk oogmerk worden verweten, alsook het verrichten van activiteiten om zich te bekwamen teneinde dit oogmerk daadwerkelijk te verwezenlijken. Het voorbeeld, door de heer De Wit gegeven, van iemand die een aangeleerde taal wil gebruiken om in te zetten bij de voorbereiding van een terroristisch misdrijf zal niet gemakkelijk leiden tot strafbaarheid op grond van artikel 134a Sr: het moet gaan om «kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf». Het enkel volgen van een taalopleiding, ook al blijkt anderszins van mogelijke terroristische sympathieën, zal niet snel te kwalificeren zijn als «deelneming aan een terroristische training». Dit kan bijvoorbeeld anders liggen wanneer, ter uitvoering van een groter plan, specifieke, technische begrippen in een onbekende taal worden getraind. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verwerven van kennis over termen die de luchtverkeersleiding hanteert, ter voorbereiding van een op een bepaalde luchthaven uit te voeren terroristische kaping.” [32]
zonderdit vereiste een onwenselijk ruim bereik zou kennen. Kamervragen waarin de reikwijdte van het voorgestelde art. 134a Sr aan de hand van hypothetische casusposities werd verkend, heeft de minister beantwoord door te verwijzen naar het te bewijzen opzet waarmee de verdachte de kennis en vaardigheden verwerft (of overbrengt). Dit opzet waarmee de training wordt verkregen (of gegeven), is tevens onderdeel van het bewijsthema. In het kader van het bewijs van het hier bedoelde opzet zal volgens de minister onder meer betekenis kunnen toekomen aan de achtergrond van de persoon van de verdachte en zijn wereldbeeld, alsook aan de aard en het karakter van de gevolgde training.
traineedus, niet geheel consequent uitdrukt, doordat hij enerzijds een “bedoeling” of “intentie” tot (kort gezegd) terrorisme lijkt te vergen, maar anderzijds sporadisch ook van “wetenschap” spreekt. Het eerste duidt op een bijzondere opzetvorm waarvoor voorwaardelijk opzet onvoldoende is. Het tweede lijkt te impliceren dat voorwaardelijk opzet juist wel volstaat, hetgeen overeen zou stemmen met de ten aanzien van de
trainerexpliciet verlangde opzetgraad. [36] Mij komt het voor dat de ‘voorwaardelijk opzet formule’ zich op de
traineewezenlijk minder goed laat toepassen dan op de
trainer.Immers, van een docent kan worden gezegd dat hij rekening houdt met de kans dat degene die hij onderwijst zijn lessen ten kwade zal aanwenden en die kans aanvaardt. De leerling kan daarentegen moeilijk spreken van een te aanvaarden kans dat hij zelf op enig moment de verworven kennis en vaardigheden voor de verkeerde doelen zal inzetten. Vanuit het perspectief van de trainee betreft dat immers niet zozeer een van vooral buiten hem gelegen factoren afhankelijke “kans”, doch veeleer een wellicht later nog te nemen, of definitief te maken wilsbesluit. Voor de trainee dringt wat dit betreft – meer dan voor de trainer – de vergelijking met het algemene voorbereidingsdelict zich op. Naar de letter van art. 46 Sr Pro is voorwaardelijk opzet ook in dat verband weliswaar voldoende, maar doordat het, wat die voorfase betreft, veelal gaat om gedragingen van relatief geringe ernst die door een criminele intentie worden geladen, zal toch een bijzondere vorm van opzet zijn vereist, die wordt gekleurd door de criminele intentie, door de gerichtheid van de gedragingen op een bepaald (ernstig) misdrijf. [37] Daarmee is uiteraard niet gezegd dat de daadwerkelijke voltooiing van het misdadige voornemen al zeker moet zijn, [38] maar wel dat de delictsgedragingen door dat voornemen in elk geval tot op zekere hoogte zijn ingegeven. Hij die zich schuldig maakt aan het verwerven van kennis en/of vaardigheden tot de in art. 134a Sr bedoelde misdrijven zal dienovereenkomstig door het mogelijke vooruitzicht van die misdrijven tot die verwerving in zekere zin moeten zijn gemotiveerd.
specifiekevaardigheden, methoden of technieken tot het begaan van een terroristisch misdrijf worden aangeleerd, acht de Hoge Raad dan ook onjuist, kennelijk omdat deze opvatting te restrictief is. [41]
derde middelis gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2A, voor zover inhoudende dat de organisatie waaraan de verdachte heeft deelgenomen tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, bedoeld in art. 140a Sr. In de kern behelst het middel de klacht dat het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie op “D. de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk” niet kan worden aangemerkt als “het plegen van terroristische misdrijven” in de zin van art. 140a, eerste lid, Sr.
in Nederland en/of in Syrië,
heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit:
- [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum] 1982 en/of
- [betrokkene 3] (geboren [geboortedatum] 1996) en/of
- [medeverdachte 4] (geboren [geboortedatum] 1989) en/of
- [betrokkene 4] (geboren [geboortedatum] 1993) en/of
- [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum] 1974)
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten:
D. de voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk.”
Het oogmerk van de organisatie
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in het openbaar is opgeruid en dat in het openbaar opruiende teksten, berichten en films zijn verspreid, waarin het martelaarschap in het kader van de gewapende jihadstrijd in Syrië werd verheerlijkt en mede daardoor werd aangezet tot meedoen aan die strijd. Dit heeft in elk geval op
social mediaplaatsgevonden. Verder is actie ondernomen om strijders te werven voor de gewapende strijd en ook om die strijd te financieren.
terroristischemisdrijven. [47] Niet voldoende is daarvoor dat de organisatie waaraan de verdachte deelneemt een terroristisch oogmerk heeft in de zin van art. 83a Sr, dat wil zeggen het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Voor een veroordeling op grond van art. 140a Sr volstaat immers niet dat sprake is van deelneming aan een organisatie die tot terroristisch oogmerk heeft het begaan van misdrijven – of zelfs niet als misdrijf strafbare gedragingen – van welke aard dan ook. Het moet gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. [48]
plegenvan terroristische misdrijven oplevert als bedoeld in art. 140a Sr.
plegenwaarvan de in art. 140a Sr bedoelde organisatie het oogmerk kan hebben.
vierde middelklaagt dat de veroordeling van de verdachte voor “de bewezenverklaarde feiten” in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, aangezien de veroordeling van de verdachte in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [betrokkene 8] , [56] terwijl de verdediging niet in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen, althans dat ’s hofs verwerping van het dienaangaande gevoerde verweer van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is.
NJ2019/217, m.nt. Vellinga is de Hoge Raad ingegaan op de in de schriftuur in die zaak opgeworpen vraag of zijn hiervoor samengevatte jurisprudentie bijstelling behoeft in die zin dat de eis dat het ontbreken van een behoorlijke ondervragingsmogelijkheid moet worden gecompenseerd ook zou moeten gelden indien de bewezenverklaring niet in beslissende mate (“sole or decisive”) op de door die getuige afgelegde verklaring berust, maar aan die verklaring voor de bewezenverklaring wel “significant weight” toekomt. Onder verwijzing naar de ook in zijn voormelde arresten van 4 juli 2017 al genoemde uitspraak van de Grote Kamer van het Europees Hof in de zaak
Schatschaschwili/Duitsland, [58] beantwoordde de Hoge Raad de opgeworpen vraag ontkennend. In dat verband benadrukt de Hoge Raad dat het primair de taak van de nationale rechter is om te beoordelen of een bewezenverklaring in beslissende mate op de verklaring van de niet-ondervraagde getuige is gebaseerd. Als daarvan uit de nationale rechtsgang niet of onvoldoende blijkt, of als deze nationale beoordeling volgens het Europees Hof “unacceptable or arbitrary” is, kan dit Hof overgaan tot een eigen weging van de bewijswaarde van de getuigenverklaring. Begrijp ik het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2019 goed, dan komt volgens de Hoge Raad aan het criterium van “significant weight” alleen betekenis toe in het kader van die eigen, Straatsburgse beoordeling van de vraag of de veroordeling te zeer berust op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige. De Hoge Raad herhaalt daarnaast nog eens dat het er bij de toetsing van het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een door de verdediging niet-ondervraagde getuige aan art. 6 EVRM Pro niet
alleenom gaat of en in hoeverre de verklaring van de niet-ondervraagde getuige steun vindt in ander bewijsmateriaal; tevens komt betekenis toe aan de (compenserende) waarborgen voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in het nationale recht.
dusdoor het Openbaar Ministerie “in ieder geval niet de benodigde zorgvuldigheid is betracht om overzicht te houden van de verschillende terrorismezaken”, te kort door de bocht. De getuige kan zich immers ook – bijvoorbeeld – selectief bereid hebben verklaard om in de ene zaak wel en in de andere zaak niet op nadere vragen van de verdediging te reageren.
rechtstreeksdat de verdachte ook heeft deelgenomen aan een trainingskamp, maar ik kan het hof goed volgen dat het die participatie in de strijd wel mede redengevend heeft geacht voor het bewijs van deelneming aan een trainingskamp. Zowel de verklaring van de niet-ondervraagde getuige [betrokkene 8] (b.m. 13) als het kennisdocument van Jolen (b.m. 15) houden namelijk in dat het voor alle nieuwe deelnemers aan de strijd verplicht was eerst de trainingen in het trainingskamp te doen (zie ook randnummer 44). De vaststelling van het hof dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de strijd, biedt in mijn optiek dan ook steun voor het bewijs van zijn deelneming aan het trainingskamp op door de verdachte betwiste punten.
rechtstreeksplaatst in het trainingskamp waaraan zijn deelneming is bewezenverklaard, is niet voorhanden. Er is echter wel genoeg aan indirect steunbewijs. De vraag of een veroordeling uitsluitend of in beslissende mate berust op de verklaring van een niet-ondervraagde getuige is in beginsel voorbehouden aan de nationale rechter. In ons stelsel is op een oordeel over die vraag vooral de feitenrechter toegerust, aangezien zo een oordeel is verweven met vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard. In cassatie kan dat oordeel dan ook slechts op de begrijpelijkheid en op de toereikendheid van de motivering ervan worden getoetst. Het hof heeft op het gevoerde verweer uitdrukkelijk gereageerd en heeft daarbij in zijn vooropstellingen geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is de nadere motivering van het hof niet beperkt tot een oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 8] . Uit de van de verklaring van de getuige [betrokkene 8] onafhankelijke vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte zich in de bewuste tijdsperiode in de nabijheid van het trainingskamp bevond, dat hij nauw contact onderhield met andere strijders waarvan vaststaat dat zij het trainingskamp hebben doorlopen, en dat hij zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd, waarvoor het een voorwaarde was eerst het trainingskamp te volgen.
vijfde middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.