Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging wegens handelen in strijd met beginselen van een goede procesorde ten onrechte heeft verworpen althans die verwerping heeft doen steunen op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden. Het middel klaagt voorts dat een (met dit verweer samenhangend) voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar het percentage eieren van testbedrijven dat het consumptiekanaal ingaat door het hof ten onrechte is afgewezen, althans dat de afwijzing van dit verzoek onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
NJ2003/80 m.nt. Buruma betrof de situatie waarin ter zake van art. 184 Sr Pro wordt vervolgd terwijl het bevel aan de bestuursrechter kan zijn voorgelegd. [1] In HR 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8808,
NJ2003/81 ging het om de vraag of de Regeling fokverbod varkens II 1997 onverbindend was. Het CBb had die vraag eerder bevestigend beantwoord. In HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0522,
NJ2010/142 m.nt. Mevis draaide het om de vaststelling van varkensrechten. Het CBb had het beroep tegen de beslissing van het Bureau Heffingen ongegrond verklaard. In HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2854,
NJ2010/573 m.nt. Klip was de situatie aan de orde waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen een ongewenstverklaring heeft gevolgd. [2] HR 17 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:41 (art. 81 RO Pro) ten slotte betrof de uitleg van het begrip ‘taxivervoer’; het CBb had geoordeeld dat daarvan sprake was.
gelijkheidsbeginsel(curs. BFK), om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn’. Deze passage is door het hof vermoedelijk ontleend aan HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280,
NJ2013/109 m.nt. Schalken. In dat arrest wordt evenwel niet gesproken over het gelijkheidsbeginsel maar over ‘het verbod van willekeur – dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging –‘.
tweedemiddel klaagt dat het hof het verweer dat het in casu niet ging om ‘legkippen’ in de zin van het Legkippenbesluit 2003, omdat een kip in de rui niet als legkip kan worden gekwalificeerd, ten onrechte heeft verworpen, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden.
derdemiddel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en dat ’s hofs oordeel dat het houden van legkippen in niet-aangepaste kooien (traditionele legbatterijen) niet in overeenstemming is met art. 4 Legkippenbesluit Pro 2003 en dat het bewezenverklaarde overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 45, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren oplevert, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet naar behoren is gemotiveerd.
1. Een in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 24 september 2012, dossierpagina’s (…) van het proces-verbaal van het Ministerie van Economische zaken, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA), LN Afd. Toezichtuitv. Landbouw, Team LN Tm TU 09 Landbouw, (…) inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3]:
(het hof begrijpt: op 6 juli 2012)nog 69.050 legkippen aanwezig zouden moeten zijn.
(hof: wederom)dat in twee gebouwen op de bovenverdieping twee stallen met niet aangepaste kooien zijn gesitueerd. Wij zagen kooisystemen met aan beide zijden kooien. Aan de zijkanten van de stal waren deze systemen vier lagen met kooien hoog en daartussen stonden systemen met vijf lagen kooien. Wij zagen dat beide stallen identiek waren aan elkaar. Wij zagen dat er in iedere stal 9504 kooien aanwezig waren. Vervolgens hebben wij meerdere kooien gemeten. Wij zagen dat de kooien een diepte hebben van 50 centimeter. Wij zagen dat de kooien 50 centimeter breed zijn. Wij stelden vast dat de kooien een diepte hebben van 50 centimeter. Wij zagen dat de hoogte van de kooi 38,5 centimeter is, gemeten tegen de achterzijde van de kooi. Wij zagen dat de hoogte van de kooi 44,5 centimeter is, gemeten aan de voorzijde van de kooi. Wij zagen dat de kooien niet voorzien waren van legnesten en zitstokken. Wij zagen dat de kooien niet voorzien waren van een met strooisel bedekte ruimte. Wij stelden vast dat de kooien van bovengenoemde stallen niet aangepaste kooien zijn.
Artikel 2
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.