ECLI:NL:HR:2001:AD5207
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep cassatie in strafzaak softdrugshandel en gelijkheidsbeginsel
In deze strafzaak ging het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden over het handelen in strijd met artikel 3 van Pro de Opiumwet. De verdachte voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een andere coffeeshop die vergelijkbare gedragingen vertoonde niet werd vervolgd.
De verdediging stelde dat het gemeentelijk beleid slechts één coffeeshop toestond, terwijl een andere coffeeshop ongemoeid werd gelaten, wat volgens de verdachte neerkwam op ongelijke behandeling. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat ongelijk behandelen van gelijke gevallen niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof en wees het beroep van verdachte af.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Davids en raadsheren Corstens en Van Dorst, waarbij Corstens niet kon ondertekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het Gerechtshof, waarbij het beroep op niet-ontvankelijkheid wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel faalde.