Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat slechts € 1.656,14 van de door Liander gevorderde energiekosten in mindering worden gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, onjuist, dan wel onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Totale kosten: € 1.911,12
Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 23.792,27
Uit de door de veroordeelde overgelegde stukken kan worden afgeleid dat hij de rekening van Liander heeft betaald tot een bedrag van € 1.656,14 (bijlage 8 bij de pleitnotities). Het hof zal dit bedrag als daadwerkelijk gemaakte kosten in mindering brengen bij het wederrechtelijk verkregen voordeel. Geconcludeerd wordt daarom dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van (afgerond) € 22.136,00 heeft verkregen. Het hof ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de boven genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 23.792,27 (drieëntwintigduizend zevenhonderdtweeënnegentig euro en zevenentwintig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 22.136,00 (tweeëntwintigduizend honderdzesendertig euro).”
NJ2016/430 wees de Hoge Raad op de mogelijkheid van de toepassing van art. 80a RO in deze gevallen. De Hoge Raad noemde daarbij een aantal voorbeelden, waaronder “een evidente misslag in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel”. [5] Daarbij gaat het om situaties waarin de beslissing als zodanig een onmiddellijk kenbare fout bevat. Tegen die achtergrond bestaat geen aanleiding de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten. [6] In de onderhavige zaak meen ik dat zulks anders ligt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de procespartijen met elkaar en met het hof van mening verschillen over de kosten die de betrokkene al aan Liander heeft betaald. Daarbij komt dat de fout van het hof niet onmiddellijk uit het arrest kenbaar is, maar eerst na raadpleging van de bijlage bij de pleitnota waarop het hof zich heeft beroepen.