Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, voortkomend uit hennepteelt en diefstal van stroom. Het Gerechtshof Amsterdam had een betalingsverplichting opgelegd aan betrokkene, waarbij het bedrag van de reeds betaalde stroomkosten aan de netbeheerder onjuist was vastgesteld.
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het hofvonnis, specifiek over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat betrokkene slechts €1.656,14 had voldaan, terwijl uit de bijlagen bleek dat het werkelijk betaalde bedrag €2.160,14 bedroeg.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de betalingsverplichting betrof en stelde het bedrag vast op €21.632,13, uitgaande van het oorspronkelijke geschatte voordeel van €23.792,27 verminderd met het reeds betaalde bedrag. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. Hiermee is de betalingsverplichting van betrokkene verminderd op correcte grondslag.
Uitkomst: De betalingsverplichting van betrokkene wordt verminderd tot €21.632,13.