Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Slotsom
5.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat de kosten van de videotheek als kostenpost in mindering moesten worden gebracht op de opbrengst.
Het hof had dit verweer verworpen omdat de videotheek geen winst maakte en dus geen voordeel genereerde. De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheid onvoldoende is om het verweer te verwerpen, omdat niet is aangetoond dat de kosten niet in directe relatie tot het bewezenverklaarde delict staan of dat zij voor rekening van betrokkene moeten blijven.
De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie dat bij verwerping van een gemotiveerd en gespecificeerd kostenverweer de rechter dit in zijn uitspraak moet motiveren. Omdat het hof dit niet voldoende had gedaan, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de kostenaftrek bij ontneming.