Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte tevens voordeel dat is gerelateerd aan een in de hoofdzaak gegeven partiële vrijspraak heeft betrokken.
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van een verweer dat ziet op schending van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM Pro en de gevolgen daarvan.
De feitenrechter is evenmin gebonden aan deze door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten, hoewel zij wel als richtsnoer kunnen fungeren. [9] Daarbij geldt dat de vermindering van het ontnemingsbedrag afhankelijk is van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, maar dat algemene regels over de wijze waarop het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd volgens de Hoge Raad niet zijn te geven. [10]