Conclusie
Op te leggen betalingsverplichting
Parket bij de Hoge Raad
In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op bijna 4,9 miljoen euro en de betrokkene tot betaling aan de Staat veroordeeld. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen de beperkte matiging van het ontnemingsbedrag met slechts €10.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De zaak kent een lange procedurele voorgeschiedenis met meerdere fases van overschrijding van de redelijke termijn: vanaf de uitspraak in eerste aanleg in 2004, via het hoger beroep in 2008, tot en met de cassatiefase die in 2010 begon en het arrest van het Hof in 2014. Het Hof erkende de overschrijding in drie gedingfasen en matigde het bedrag met €10.000, wat het Hof als voldoende compensatie achtte gezien de omstandigheden van het geval.
De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. De Hoge Raad benadrukt de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de mate van matiging en wijst op de vaste rechtspraak dat in ontnemingszaken de vermindering in beginsel niet meer dan €5.000 bedraagt, maar dat hiervan kan worden afgeweken. De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en handhaaft het arrest van het Hof.
Deze uitspraak onderstreept de toepassing van het recht op berechting binnen een redelijke termijn en de wijze waarop overschrijding daarvan leidt tot een matiging van ontnemingsbedragen, met behoud van een ruime beoordelingsvrijheid voor de feitenrechter.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de matiging van het ontnemingsbedrag met €10.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.