Conclusie
1.Inleiding
[F]), waarvan de particulier middellijk alle aandelen houdt en die het vervolgens via twee charterbedrijven, waaronder belanghebbende, voor ongeveer 1% van de waarde van het jacht (exclusief btw) op jaarbasis aan de particulier verhuurt op basis van
bare boat charter(oftewel: exclusief liggeld, brandstof en bemanning). De charterbedrijven, waaronder belanghebbende, realiseren een marge op de inhuur en doorverhuur van de jachten. De marge voor belanghebbende hangt af van de bespaarde omzetbelasting bij de invoer van het jacht.
eerste middelricht zich tegen het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. Ter toelichting merkt belanghebbende op dat de jachten niet in Nederland zijn gebruikt/verbruikt, zodat geen (Nederlandse) omzetbelasting op de jachten hoort te ‘drukken’; er wordt geen (Nederlandse) omzetbelasting ontgaan. Verder betoogt zij dat het Hof ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de hoedanigheid van de particulieren als huurders/gebruikers van de jachten en hun hoedanigheid als aandeelhouder/bestuurder van de [F] ’s. Volgens het
tweede middelhad het Hof aan het door hem aanwezig geachte misbruik niet de weigering van belanghebbendes recht de aftrek van de verschuldigde omzetbelasting bij invoer als gevolg mogen verbinden. Ter toelichting voert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan minder vergaande mogelijkheden tot herdefiniëring. Het
derde middelis gericht tegen het oordeel dat geen in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt. Belanghebbende heeft steeds een beroep gedaan op het nationale vertrouwensbeginsel, aldus de toelichting op het middel. Verder vindt het oordeel van het Hof volgens de toelichting op het middel geen steun in de feiten die blijken uit de stukken van het geding.
eerste middelbetreft met het aanvullende argument dat als al omzetbelasting/btw wordt bespaard met de verhuurstructuren, de besparing niet aan haar ten goede komt, maar aan de [F] ’s. De [F] ’s zijn volgens belanghebbende echter evenmin omzetbelasting/btw bij invoer verschuldigd, omdat de jachten zeeschepen zijn waarvoor het nultarief geldt. De uitzondering van het nultarief voor plezierjachten in Tabel II, post a.3 geldt niet gelet op (jurisprudentie over) artikel 15, lid 5, Zesde richtlijn. De Staatssecretaris heeft gedupliceerd dat deze stelling voor het eerst in cassatie wordt betrokken en bovendien nader feitenonderzoek vergt. Met betrekking tot het
tweede middelheeft belanghebbende in aanvulling op haar beroepschrift verder betoogd dat het aanpassen van de huurprijs van de jachten naar een zakelijk niveau de minst vergaande herdefiniëring is. Een zakelijk huur zou 5% van de aanschafprijs van de jachten op jaarbasis bedragen. Dit bedrag moet dan op grond van de zogenoemde leasefundingarresten8 weer worden verminderd met bespaarde financieringskosten, omdat de [F] ’s (mede) zijn gefinancierd met een renteloze lening van hun respectieve (middellijke) aandeelhouders. Bij dupliek merkt de Staatssecretaris op dat belanghebbende deze wijze van herdefiniëren voor het eerst in cassatie aanvoert en dat zij de 5% niet onderbouwt.
eerste middelbetreft meen ik dat het er niet om gaat of belanghebbende al dan niet Nederlandse omzetbelasting heeft (helpen) ontgaan, maar of zij op misbruikelijke wijze heeft getracht een door het EG/EU-recht toegekend voordeel in de wacht te slepen, meer bepaald het recht op aftrek van btw bij invoer van de jachten. Het eerste middel zou slechts tot cassatie kunnen leiden als wordt aangenomen dat alle jachten na invoer naar een andere lidstaat zijn overgebracht en op dat moment nog nieuwe vervoermiddelen waren. Voor die aanname biedt ’s Hofs uitspraak echter geen feitelijke basis. Mij is net als het Hof niet echt duidelijk wat na de invoer nu precies met elk van de jachten is gebeurd.
tweede middellijkt op het eerste gezicht interessanter dan het uiteindelijk is. Welbeschouwd komt slechts één alternatieve wijze van herdefiniëring van het misbruik werkelijk in aanmerking, te weten het aanpassen van de huurprijs tot een zakelijk niveau. In eerdere zaken, over een leasestructuur met ziekenhuisapparatuur en een sale-and-lease- back met een schoolgebouw, heeft het wegdenken van transacties, zoals het Hof hier ook heeft gedaan, in cassatie stand gehouden. Mede in dat licht bezien, zie ik al geen reden waarom het Hof als herdefiniëring de contractvoorwaarden van de huur had moeten aanpassen. Daar komt bij dat het misbruik in dit geval niet alleen in de lage prijs zit, maar zeker zoveel in de verhuur via belanghebbende. Verder beschikte het Hof – als ik het goed zie – niet over gegevens om een zakelijke huurprijs vast te stellen en is de effectiviteit van die wijze van herdefiniëring ook nog eens dubieus.
derde middelfaalt ten slotte, omdat niet onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat geen in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt. Verder zie ik geen noodzaak of zelfs aanleiding spanning met het EG/EU-recht op te zoeken door een geslaagd beroep op het nationale vertrouwensbeginsel mogelijk te achten bij misbruik. Het oordeel van het Hof is daarom juist.
2.Misbruik van recht (middel 1)
Altun e.a.9 Het Hof vervolgt:
Cussens e.a.11:
Halifax14 heeft het HvJ het als volgt verwoord, beginnend met het objectieve element:15
Weald Leasing20 blijkt dat ook uitstel van belastingheffing of spreiding daarvan in de tijd een zodanig belastingvoordeel kan zijn. De arresten in de zaken
Newey21 en
WebMindLicences22 suggereren verder dat hetzelfde geldt voor voordelen die ontstaan als gevolg van het verplaatsen van de plaats van prestaties naar een jurisdictie waar een gunstiger regime voor die prestaties geldt.23
Cussens e.a.hebben sindsdien geleerd dat ook (rechten op) ‘faciliteiten’ als het recht op aftrek van voorbelasting en vrijstellingen als zodanig voordelen kunnen zijn die op niet-bonafide wijze kunnen worden nagestreefd.25 De volgende overwegingen komen uit
Italmoda:
fraus legis, dat dan conform het EG/EU-rechtelijke beginsel dient te worden uitgelegd en toegepast:
Weald Leasingvolgt (zie onderdeel 2.18 hierna):
Italmodaen
Cussense.a. Het Hof heeft vanwege het misbruik de aftrek van de verschuldigde omzetbelasting bij invoer geweigerd. Er is geen correctie toegepast voor voldane omzetbelasting over de huurpenningen (daarover klaagt belanghebbende overigens niet). Naar aanleiding van belanghebbendes eerste middel merk ik tegen deze achtergrond het volgende op.
mutatis mutandisiets anders zou hebben te gelden dan hiervoor voor de richtlijn besproken, maar eigenlijk is dat niet eens relevant.
door het Unierechttoegekende voordelen. Zie het citaat uit
Altun e.a.in onderdeel 2.1 en het citaat uit
Halifaxin onderdeel 2.3. Een betoog dat het gebruik/verbruik van de jachten buiten Nederland heeft plaatsgevonden, dat daarom geen omzetbelasting wordt ontgaan en dat daarom niet wordt voldaan aan het objectieve element van misbruik, gaat hieraan ten onrechte voorbij. In ’s Hofs oordeel ligt besloten dat de verhuurstructuren zijn gericht op het verkrijgen van aftrek van Europese btw, in dit geval toevallig Nederlandse omzetbelasting, in strijd met het doel van (zekere bepalingen uit) de Zesde richtlijn. Dat is waar het om gaat. Het lijkt erop dat het Hof tot zijn oordeel is gekomen door te vergelijken met de situatie waarin de betrokken particulieren onmiddellijk eigenaar zouden zijn geweest van de jachten (m.n. punt 4.6). Het Hof acht de oprichting van de [F] ’s en het onderbrengen van de jachten in de [F] ’s op zichzelf geen misbruik (punt 4.9).
Floridienne/Berginvest28 beslist dat een dergelijke economische exploitatie wordt gekenmerkt door een bedrijfsmatig of een commercieel oogmerk.29 Dit veronderstelt, althans in voorkomende gevallen, onder meer een streven naar een maximaal rendement op het geïnvesteerde kapitaal. In het arrest in de zaak
Rēdlihsheeft het HvJ verder overwogen:30
Bacino Charter Company, hoewel dat over verhuur van schepen gaat:35
Bij deze correctie is niet van belang wie van de bij het misbruik van rechtbetrokken partijen een in dat kader plaatsgevonden handeling heeft verricht en evenmin wie van het beoogde of verkregen belastingvoordeel (het meest) heeft geprofiteerd.”
Weald Leasing, hoewel de gelijkenis van de feitelijke constellatie in die zaak met de jachtenverhuurstructuren in het oog springt. In beide gevallen zijn goederen aangeschaft door een rechtspersoon die is gelieerd aan de uiteindelijke gebruiker die niet of nauwelijks recht op aftrek van voorbelasting heeft, waarna de rechtspersoon de goederen via één of meer derden tegen een lage vergoeding is gaan verhuren aan de uiteindelijke gebruiker. Uit
Weald Leasingleid ik af dat de keuze voor huur in plaats van koop op zichzelf bezien geoorloofd is, zelfs als een gelieerde rechtspersoon eerst koopt en vervolgens verhuurt. Misbruik komt niettemin in beeld als de contractvoorwaarden van de huur onzakelijk zijn, in het bijzonder als de huurprijs abnormaal laag is, zoals ook met de jachten het geval is:
Weald Leasingwerd in de prejudiciële vragen van de verwijzende Britse rechter verondersteld dat de verhuur door de gelieerde rechtspersoon economisch van karakter is, ondanks de schijnbaar lage huurprijs. Het HvJ heeft dat vervolgens niet ter discussie gesteld. Een feitelijk verschil met de jachtenverhuurstructuren is echter ook dat geen aanwijzingen bestaan dat de goederen uiteindelijk voor privédoeleinden werden gebruikt. Daardoor viel in
Weald Leasingmeer te zeggen voor belastingplicht van de verhurende rechtspersoon. De verwijzende rechter lijkt verder het misbruik te hebben gezocht in het kunstmatig omzeilen van de normalewaarderegeling in de Britse VAT Act 1994.37 Wat van deze verschillen ook zij, in het licht van
Weald Leasingverbaast het misbruikoordeel van het Hof over de jachtenstructuren niet.
het eerste middel faalt.
3.Het redresseren van misbruik (middel 2)
fraus legis-leerstuk wordt de herdefiniëring ook wel conversie genoemd.38 De herdefiniëring mag niet verder gaan dan noodzakelijk is om een juiste heffing van btw te verzekeren, zoals die aan de orde zou zijn in een situatie zonder misbruik.39 Of, anders gezegd, het voordeel dat door misbruik is verkregen dient te worden weggenomen, maar niet meer dan dat. Het arrest in de zaak
Cussens e.a.laat zien dat dit proces van herdefiniëring zo eenvoudig kan zijn als het elimineren van de kunstmatige transacties in de gekozen structuur. In die zaak was de verkoop van vakantiewoningen (de niet-kunstmatige transacties) naar Iers recht niet meer vrijgesteld na het wegdenken van de kunstmatige transacties (een U-bocht) met een aan de belastingplichtigen gelieerd lichaam:
Halifaxis het minder duidelijk, maar lijkt het HvJ eveneens op eliminatie van kunstmatige transacties aan te sturen. In die zaak mondt de eliminatie uit in een weigering van het recht op aftrek van voorbelasting onder aftrek van verschuldigde belastingbedragen voor de geëlimineerde transacties:
Weald Leasingnoemt het HvJ aanpassing van abnormale contractvoorwaarden (substitutie) als alternatieve wijze van herdefiniëren:
Italmodablijkt dat bij fraude of misbruik niet is voldaan aan de objectieve voorwaarden voor de toekenning van een ‘faciliteit’, bijvoorbeeld het recht op aftrek van voorbelasting. Weigering van de aftrek is dan het voor de hand liggende gevolg. In fraudegevallen lijkt daarmee de kous af voor het HvJ. Het is de vraag of hetzelfde heeft te gelden bij misbruik van ‘faciliteiten’ als het recht op aftrek. Zo ja, dan is na weigering van de ‘faciliteit’ herdefiniëring niet meer aan de orde. Door de weigering is immers ook het voordeel (de ‘faciliteit’) weggenomen. Wel kan dat ertoe leiden dat door de structurering uiteindelijk meer belasting verschuldigd is dan zonder, omdat de nadelen van de structurering intact blijven. Bij gelegenheid zouden hierover wellicht nog eens prejudiciële vragen kunnen worden gesteld aan het HvJ.
FED2012/69 (de voetnoten zijn weggelaten):
Daarom faalt ook middel 2.
4.Het vertrouwensbeginsel (middel 3)
fraus legisin de omzetbelasting. Echter,
fraus legisin de omzetbelasting heeft de Hoge Raad nooit categorisch uitgesloten.
à contrecœurverleent, omdat hij meent misbruik niet te kunnen bestrijden, niet als een toezegging kan worden opgevat:48
Cussense.a.overwogen:
Italmodaheeft de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 201650 voorts al beslist dat ingeval van fraude geen beroep op het (Unierechtelijke of nationaalrechtelijke) vertrouwensbeginsel mogelijk is:
Italmodaen
Cussens e.a.(voetnoten weggelaten):51
Italmodaen
Cussens e.a.doen inmiddels toch wel een ander licht op de kwestie van vertrouwen bij misbruik schijnen. Met een oordeel dat een geslaagd beroep op het nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel mogelijk is bij misbruik, zou de Hoge Raad – met de kennis van nu – mijns inziens onnodig spanning opzoeken met het EG/EU-recht. Dat staat weer op gespannen voet met de loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4(3) van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
het derde middel faalt– linksom of rechtsom – naar mijn mening eveneens.