De zaak betreft het beroep in cassatie van belanghebbende tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad vroeg het Hof van Justitie van de Europese Unie om prejudiciële uitleg over de toepassing van het nultarief en het recht op aftrek bij intracommunautaire leveringen in het kader van btw-fraude.
Het Hof van Justitie oordeelde dat nationale autoriteiten het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van btw mogen weigeren indien objectief vaststaat dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in een keten van leveringen, ook als de fraude in een andere lidstaat plaatsvond.
De Hoge Raad stelt dat de Nederlandse wetgeving en het nationale rechtsbeginsel dit niet voorzagen, maar dat het EU-recht voorrang heeft. Het hof had volgens de Hoge Raad onterecht niet onderzocht of belanghebbende betrokken was bij btw-fraude in Italië. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De Hoge Raad wijst proceskostenveroordeling af. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 18 maart 2016 openbaar uitgesproken.