Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit “
strafbare feiten, met name drugshandel” en aldus uit andere feiten dan het bewezenverklaarde witwasfeit, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
strafbare feiten, met name drugshandel”. Gelet op de door het hof gebruikte bewoordingen, heeft het hof kennelijk beoogd toepassing te geven aan artikel 36e, derde lid, Sr (oud dan wel nieuw).
tweedelid van artikel 36e Sr (oud dan wel nieuw). In dat geval dient het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag wel in voldoende mate te (kunnen) worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011 (zoals in het onderhavige geval), soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. [3]