Conclusie
1.Feiten
Vankorneft) is een dochter van Rosneft, die het Vankorskoye gasveld exploiteert. [2] Zao Trest Koksokhimmontazh (hierna:
Trest) is een Russische bouwonderneming, die is gespecialiseerd in het aanleggen van infrastructuur voor de olie- en gasindustrie. Trest is geen onderdeel van het Rosneft-concern.
[verweerder]), bestuurder was. [3] [verweerder] vertegenwoordigde [A] C.V. in het rechtsverkeer.
de Overeenkomst). Namens ‘Seller’ is de Overeenkomst ondertekend door [verweerder] , onder vermelding van ‘General Director’ van [A] C.V. [9]
2.Procesverloop
Door de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor, heeft Trest de schijn gewekt dat Vankor bevoegd was in dit opzicht namens haar op te treden.Het hof gaat er verder vanuit dat de toen al ontbonden vennootschap [A] CV in de overeenkomst als contractspartij is aangewezen omdat de benodigde vergunningen al op naam van [A] CV waren verkregen. In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de wetenschap van Vankor dat, ondanks de vermelding van [A] CV als zodanig, [A] BV als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest moet worden toegerekend. Het hof merkt hierbij op dat deze rechtsvraag, anders dan Trest betoogt, wordt beheerst door Nederlands recht, nu dit recht toepasselijk is op de rechtsverhouding tussen [verweerder] en Trest. Mede in aanmerking genomen dat [verweerder] als bestuurder van [A] BV bevoegd was deze vennootschap te vertegenwoordigen, heeft [verweerder] naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden niet onzorgvuldig jegens Trest gehandeld door [A] CV als (‘General Manager’ van) Seller te vertegenwoordigen en de overeenkomst te ondertekenen. Indien en voor zover [A] BV bij de uitvoering van de overeenkomst zich ook heeft gedragen als contractspartij van Trest, valt bovendien niet in te zien dat Trest door deze handelwijze is benadeeld.”
3.Schijn van volmachtverlening en toerekening van externe kennis
rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond
van een verklaring of een gedraging van die anderheeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”
toedoenvereiste. [29]
ING/Bera, het toedoenvereiste aangevuld met het
risicobeginsel: voor toerekening van schijn van volmachtverlening kan ook plaats zijn als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de pseudo-gevolmachtigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. [30] Anders gezegd, schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan niet alleen door een toedoen, maar ook door toerekening ontstaan. Het gewekte vertrouwen mag evenwel niet uitsluitend zijn gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de pseudo-gevolmachtigde. Er moeten feiten of omstandigheden aanwezig zijn die de pseudo-volmachtgever betreffen en die rechtvaardigen dat deze het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt. [31]
Voor zoverhet al of niet aanwezig zijn van een wil of van wilsgebreken, alsmede
bekendheid of onbekendheid met feitenvan belang zijn voor de geldigheid of de
gevolgen van een rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking, al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling van haar inhoud.”
schijnvan volmachtverlening. [35]
Ontvanger/ […] [37] volgt dat voor een overeenkomstige toepassing van art. 3:66 lid 2 BW Pro is vereist dat de handeling plaatsvindt in een verhouding die soortgelijk is aan die welke bestaat tussen de volmachtgever en de gevolmachtigde die in zijn hoedanigheid handelt met een derde. [38] In datzelfde arrest wordt overwogen
“dat toerekening van kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel die iemand ten aanzien van de behoorlijke afwikkeling van een transactie heeft aan een ander die deze kennis, wetenschap of (reden tot) twijfel zelf niet had, weliswaar niet onder alle omstandigheden is uitgesloten, maar dat daarbij wel terughoudendheid moet worden betracht.”Daaruit volgt niet dat terughoudendheid eveneens is vereist als art. 3:66 lid 2 BW Pro rechtstreeks van toepassing is. [39]
Kleuterschool Babbel [40] geformuleerde maatstaf. Het komt erop aan of de aanwezige kennis van de natuurlijke persoon in het maatschappelijk verkeer geldt als kennis van de organisatie waarvan hij deel uit maakt. [41] Ook hier is het gerechtvaardigd perspectief van de wederpartij maatgevend. [42] Voor toerekening van externe kennis kan niet de in het arrest
Kleuterschool Babbel geformuleerde maatstaf worden gehanteerd, terwijl een analoge toepassing van art. 3:66 lid 2 BW Pro in de meeste gevallen ook niet voor de hand ligt. [43] Of externe kennis kan worden toegerekend, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Mandir. [44] In die zaak had een rechtspersoon, die een klein adviesbureau dreef, schenkingen gedaan aan een stichting ten behoeve van de bouw van een Hindoestaanse tempel. Met een beroep op dwaling wilde deze rechtspersoon later de schenkingshandelingen vernietigen op de grond dat niet de stichting maar een commissaris in privé de bouwgrond in eigendom had verkregen. In het daarop volgende geschil voerde de stichting aan dat het adviesbureau niet had gedwaald, omdat de betrokkene die optrad voor het adviesbureau uit hoofde van zijn (voormalige) functie van penningmeester van de stichting op de hoogte was van de juiste stand van zaken en deze wetenschap aan het adviesbureau (de rechtspersoon) moet worden toegerekend.
Mandirwaren nogal bijzonder, mede doordat de twistende partijen door zakelijke en familiebanden aan elkaar waren gerelateerd. Het arrest lijkt niettemin voor de onderhavige zaak in zoverre interessant dat daarin dezelfde twee stappen worden onderscheiden: eerst moet worden onderzocht of er schijn van volmachtverlening is waarop de wederpartij heeft mogen vertrouwen en zo dat het geval is moet in het verlengde daarvan worden onderzocht of kennis van de gevolmachtigde (in die zaak van interne kennis, hier van externe kennis) kan worden toegerekend aan de volmachtgever. Zowel bij de eerste als de tweede stap komt het aan op de door de wederpartij gestelde feiten en op de omstandigheden van het geval.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf: ontvankelijkheid beroep eiseres sub 1
Beklamel-achtige’ elementen. [47] Uit het dossier komt namelijk naar voren dat de bestuurder van de rechtspersoon die ‘eigenlijk’ partij was, [A] B.V., bij het aangaan van een contractuele verplichting (hier: tot levering) wist of behoorde te weten dat die rechtspersoon de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden, gelet op haar zwakke financiële positie. Daar komt bij – en daar draait het geschil voornamelijk om – dat de Overeenkomst is aangegaan op naam van een andere rechtspersoon, [A] C.V., die niet (meer) bestond op het moment van contracteren en dat de bestuurder ( [verweerder] ) tegenover Trest de schijn dat [A] C.V. de Overeenkomst uitvoerde door uitingen en gedragingen in stand hield. Toch komt [verweerder] hier bij het hof grotendeels mee weg, omdat er volgens het hof juist aan Russische zijde sprake was van schijn, namelijk door Trest opgewekte schijn dat Vankorneft haar heeft vertegenwoordigd en [verweerder] op die schijn heeft mogen vertrouwen. Daaruit leidt het hof in één adem af dat kennis aanwezig bij Vankorneft over het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. kan worden toegerekend aan Trest. Vankorneft had die kennis, omdat zij een oplossing wilde vinden voor een door [verweerder] veroorzaakt probleem: hij had [A] C.V., die stond vermeld in de Russische invoervergunningen, kort voor het definitief binnenhalen van deze grote order als rechtspersoon laten ontbinden. [48]
In de stellingen van [verweerder] ligt besloten dat hij op grond van verklaringen en/of gedragingen van Vankor – dus niet van Trest zelf – heeft aangenomen dat Trest wist waarom [A] CV als contractspartij werd genoemd in plaats van [A] BV.” Het hof heeft hier kennelijk het oog op het betoog van [verweerder] dat Trest ‘wist’ van het onderscheid tussen [A] C.V. en [A] B.V. en van de reden waarom de Overeenkomst op naam van [A] C.V. moest staan. Deze eerste zin heeft zo bezien betrekking op stellingen van [verweerder] over de toerekening van wetenschap van Vankorneft aan Trest. Het hof noemt niet uit welke gedragingen van Vankorneft blijkt dat die wetenschap Trest kan worden toegerekend.
De vraag rijst dan of sprake is geweest van aan Trest toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan ( [verweerder] als bestuurder van) [A] BV/CV gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat Vankorneft bevoegd was Trest te vertegenwoordigen.” Het hof zoekt hier naar een
grondslagvoor de toerekening van kennis en vindt die in de schijn van volmachtverlening door Trest aan Vankorneft. Daartoe neemt het hof de volgende stellingen van [verweerder] in aanmerking: (i) er bestond een nauwe relatie tussen Trest en Vankorneft; (ii) Trest was een onderaannemer van Vankorneft; [50] (iii) Trest is door Vankorneft als contractspartij geïntroduceerd; (iv) [A] B.V. heeft met Rosneft/Vankorneft onderhandeld over (ook) de overeenkomst met Trest; (v) en Rosneft/Vankorneft heeft de documenten voor deze overeenkomst opgesteld. Het hof gaat er vanuit dat die stellingen van [verweerder] niet door Trest zijn betwist.
Door de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor, heeft Trest de schijn gewekt dat Vankor bevoegd was in dit opzicht namens haar op te treden.” Na nog te hebben overwogen dat de C.V. vanwege de vergunningen als contractspartij is opgetreden komt het hof tot de volgende de conclusie: “
In het licht van deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de wetenschap van Vankor dat, ondanks de vermelding van [A] CV als zodanig, [A] BV als contractspartij van Trest zou optreden, aan Trest moet worden toegerekend.” Daarmee bevestigt het hof wat het reeds in de eerste zin overwoog en is de cirkel rond.
nietin dat Vankorneft voor Trest optrad. Hij heeft zich in het geheel niet op de schijn van vertegenwoordiging als bedoeld in art. 3:61 lid 2 BW Pro beroepen. [verweerder] heeft betoogd dat Trest op instigatie van Vankorneft haar contract met [A] B.V. (gedeeltelijk) heeft overgenomen en daarbij gewezen op de economische verhoudingen (‘het machtige Rosneft’) en de ‘korte lijnen’ tussen Vankorneft en Trest, zonder daarvan overigens bewijs bij te brengen. [52] Volgens [verweerder] was Trest de handelende partij die deed wat Vankorneft haar vroeg te doen – in feite het omgekeerde van waar het hof is uitgegaan. De feitelijke grondslag waarop het hof de schijn van volmachtverlening baseert (
“[d]oor de onderhandelingen over en het opstellen van de overeenkomst (grotendeels) over te laten aan Vankor”) wijkt daarmee af van wat [verweerder] als feitelijke grondslag heeft aangevoerd voor zijn stelling dat Trest wetenschap had van, kort gezegd, de ‘rechtspersonenkwestie’. Het hof heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd miskend. [53]
subonderdeelA) en waarom die omstandigheden voor haar risico komen (
subonderdeel B). Verder klaagt Trest dat het oordeel van het hof dat zij de schijn heeft gewekt dat Vankorneft bevoegd was namens haar op te treden, zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk is (
subonderdeel C) en dat het hof in dat verband ten onrechte heeft overwogen dat “
tussen Trest en Vankor een nauwe relatie bestond” (
subonderdeel D). Tot slot klaagt Trest dat het hof ten onrechte heeft nagelaten posterieure feiten in aanmerking te nemen (
subonderdeel E) en niet op alle omstandigheden van het geval acht heeft geslagen (
subonderdeel F).
subonderdelen A en Bfeitelijke grondslag. Het hof heeft de schijn van volmachtverlening door Trest aan Vankorneft niet gebaseerd op toerekening (het risicobeginsel, zie 3.4) maar enkel op gedragingen (toedoen). Daarom is niet relevant of bepaalde omstandigheden waarop [verweerder] volgens het hof heeft mogen afgaan naar verkeeropvattingen voor risico van Trest komen. Ik teken wel aan dat de omstandigheden waarop het hof zijn oordeel doet steunen (zie de omstandigheden (i)-(v) genoemd in 4.6) niet allemaal handelingen van Trest betreffen, terwijl ‘toedoen’ moet worden gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de pseudo-volmachtgever.
subonderdelen C en D. Trest wijst daar niet alleen op het feit dat [verweerder] zich niet op schijn van volmachtverlening heeft beroepen (vgl. reeds onderdeel I), maar er tevens op (a) dat Vankorneft niet namens Trest een rechtshandeling heeft gesteld, (b) dat de Overeenkomst niet door tussenkomst van Vankorneft is gesloten en (c) [verweerder] van Trest deels voorwaarden heeft bedongen die afweken van het contract tussen [A] B.V. en Vankorneft. [55]
subonderdeel Eklaagt Trest dat het hof ofwel heeft miskend dat bij de beoordeling of sprake is van schijn van volmachtverlening ook posterieure feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, [59] ofwel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd nu verschillende posterieure feiten en omstandigheden niet in de beoordeling zijn betrokken. In het verlengde hiervan stelt Trest in
subonderdeel Fdat het hof heeft miskend dat het zijn oordeel over de schijn van volmachtverlening had moeten baseren op alle omstandigheden van het concrete geval, [60] althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Trest somt in de beide subonderdelen een groot aantal omstandigheden op waaraan volgens haar het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed terwijl dat wel had gemoeten.
niet wistdat [A] C.V. niet bestond. Relevant is dat in cassatie echter niet, in zoverre het hof niet heeft geoordeeld dat Trest dat wél wist; dat Trest die feitelijk kennis niet bezat staat niet ter discussie. [61] Het gaat om het oordeel dat kennis van Vankorneft aan Trest is toe te rekenen.
subonderdeel Fopgesomde verklaringen en gedragingen van [verweerder] blijkt dat, kort gezegd, hij het beeld dat [A] C.V. de contractpartij was, bewust in stand heeft gelaten. Deze handelwijze wordt door het hof in rov. 16 als onrechtmatig aangemerkt en vormt de grond waarop het hof de door de rechtbank uitgesproken veroordeling om de kosten van de arbitrageprocedure te vergoeden in stand laat (rov. 18). Genoemde omstandigheden brengen niet als zodanig mee dat [verweerder] niet op de – door het hof aangenomen – gewekte schijn van vertegenwoordiging mocht vertrouwen.
subonderdelen C en D).