Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
hij in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 4 januari 2012, te Franeker, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het verrichten van werkzaamheden in zijn, verdachtes, bloemenwinkel, hebbende verdachte toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk:
plaatsgevonden - dat er 'kennelijk bij de bank iets was misgegaan'. Door zich voor te doen als bonafide werkgever werden [betrokkene 2] en [betrokkene 1] daardoor bewogen om ook hun werkzaamheden voor verdachte op 3 respectievelijk 4 januari 2012 voort te zetten. De schriftelijke toezegging van verdachte dat zij op 9 januari 2012 de verschuldigde bedragen konden ophalen alsmede een salarisstrook en de eindafrekening werd uitgesteld en heeft vervolgens in het geheel geen doorgang gevonden. Ook de beweerdelijke aanmelding bij een salarisverwerkingsbureau in Drachten en bij de Belastingdienst, ten behoeve waarvan aangeefsters formulieren hadden ingevuld, bleek nimmer te hebben plaatsgevonden.
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 januari 2017.