Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn’.
degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolgeraangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid,
tenzij blijkt dat hij niethet voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond
heeft’.
verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemmingop grond waarvan een persoon één of meer voorwerpen, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben’.
veronderstellenderwijsvan wordt uitgegaan dat aan de rechtsvoorganger van [A] een (publiek)rechtelijke vergunning
zou zijn verleendals bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Verordening, volgt naar het oordeel van het Hof niet dat deze op [A] is overgegaan. Volgens het Hof ‘zou er op enig moment een bewilliging en/of bekrachtiging van de zijde van de gemeente(n) nodig zijn geweest om de gestelde overgang van een aan (…) [de rechtsvoorganger [B] , A-G] verleende vergunning op [A] te bewerkstelligen’. Volgens het Hof zijn aan de overgang van vermogensbestanddelen van de rechtsvoorganger op (uiteindelijk) [A] ‘een of (meerdere) juridische fusies voorafgegaan’, inhoudende dat ‘onder algemene titel vermogensbestanddelen op een verkrijgende vennootschap zijn overgegaan’. Die wijze van eigendomsovergang geldt volgens het Hof ‘echter niet, althans niet zonder meer, ter zake van vermogensbestanddelen die voortvloeien uit publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen van de verdwijnende vennootschap; in het bijzonder, nu niet aannemelijk is geworden dat de destijds aan [B] verleende vergunning objectgebonden zou zijn’. Ten slotte is volgens het Hof door belanghebbende ‘niet nader toegelicht en onderbouwd’ op welke grond ‘de (veronderstelde) vergunning van (…) [de rechtsvoorganger, A-G] op (uiteindelijk) [A] is overgegaan’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
4.2.1.1. Naar aanleiding van het arrest Naarden heeft belanghebbende gesteld dat zij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt. De heffingsambtenaar had [A] als belastingplichtige moeten aanmerken. Belanghebbende baseert deze stelling op artikel 3, eerste en tweede lid, van de Verordening, in samenhang met de verplichting die de (voormalige) gemeenten Ammerzoden, Hedel, Hurwenen en Rossum tegenover [B] zijn aangegaan. Volgens belanghebbende hebben de hiervoor vermelde gemeenten door middel van raadsbesluiten en overeenkomsten, als vermeld in de onderdelen 6 tot en met 11 van de uitspraak van de rechtbank (hierna tezamen: de overeenkomsten) aan [B] een publiekrechtelijke vergunning verleend. Deze vergunning is volgens belanghebbende overgegaan op [A] . Daarvan uitgaande had [A] op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening, als de belastingplichtige moeten worden aangemerkt.
heeft(cursivering Hof)’, zodat het laatste zinsdeel van artikel 3, tweede lid, Verordening niet van toepassing is. Aan de vraag of belanghebbende dan wel [A] degene is die – in termen van het arrest Blaricum (r.o. 2.4.2) – bij de netwerken
rechtstreeks belangheeft wordt volgens belanghebbende in de onderhavige zaak niet toegekomen, aangezien volgens haar buiten twijfel is dat de Verordening de vergunninghouder als belastingplichtige aanwijst.
heeft(cursivering Hof)’. In een dergelijke situatie dient volgens de heffingsambtenaar op grond van het arrest Blaricum doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de vraag wie degene is die bij de netwerken rechtstreeks belang heeft en dat is belanghebbende. Volgens de heffingsambtenaar is belanghebbende dan ook terecht als belastingplichtige aangemerkt.
Voorts volgt het Hof de heffingsambtenaar in zijn stelling dat van een publiekrechtelijke vergunning als bedoeld in artikel 1, onder c, Verordening eerst sprake is indien deze is gebaseerd op een regeling waarin is vermeld waarop deze betrekking heeft, hoe en door wie deze kan worden aangevraagd en aan welke voorwaarden dient te worden voldaan. Het bestaan van een dergelijke regeling is niet aannemelijk geworden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet aannemelijk is geworden dat aan [A] een vergunning is verleend als bedoeld in de Verordening.
Dit betekent dat, zelfs indien [A] houder zou zijn van een vergunning in de zin van artikel 3, tweede lid, Verordening, het slot van die bepaling het als belastingplichtige kwalificeren van die vergunninghouder verhindert.
Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [A] in het onderhavige jaar aan de overeenkomsten een contractueel gedoogrecht kan ontlenen, zijn geen gronden aannemelijk gemaakt op basis waarvan dat recht ook aan belanghebbende zou toekomen. Uit zichzelf houden de overeenkomsten niet een dergelijke derdenwerking (ten gunste van belanghebbende) in; zo bevatten de overeenkomsten ook niet een derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253, eerste lid, BW. Dit is niet anders met betrekking tot de meters netwerk die betrekking hebben op de straatverlichting, omdat in de straatverlichtingsovereenkomsten niets over de heffing van precariobelasting is bepaald.
Een uitleg van genoemde vrijstellingsbepaling waarmee de werking ervan wordt uitgebreid naar derden die geen partij zijn bij de overeenkomst waarin het gedoogrecht is opgenomen, acht het Hof niet juist. Dit oordeel lijkt bevestiging te vinden in de formulering van de laatste volzin van r.o. 2.5.4 van het arrest Naarden, omdat daarin uitdrukkelijk ‘de wederpartij’ is aangemerkt als degene die zich op het (contractuele) gedoogrecht kan beroepen.
De andersluidende opvatting die inhoudt dat het aan [A] toekomende gedoogrecht voor de toepassing van de vrijstellingsbepaling als het ware derdenwerking heeft, wordt derhalve verworpen.
3.Het geding in cassatie
overgangvan de vergunning op [A] wordt door artikel 3, tweede lid van de Verordening niet vereist.[ [17] ] Evenmin kan die eis worden ingelezen in het wezenskenmerk van een vergunning nu die benadering miskent dat ‘vergunning’ in de Verordening is gedefinieerd en conform die definitie moet worden geduid.
vergunninghouder of diens rechtsopvolgerde netten heeft. Het Hof heeft - door te overwegen dat zowel [X] als [A] de netten hebben - reeds (ongewild) bevestigd dat [A] (dus in ieder geval) de netten heeft.
4.Wet- en regelgeving, jurisprudentie en literatuur
Veelal is voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond een vergunning vereist. Bij de heffing van precariobelasting kan hierbij worden aangeknoopt. Wij hebben daarvoor gekozen in artikel 3, tweede lid, artikel 6, vierde lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid. In artikel 1, onderdeel d, is een begripsomschrijving van vergunning opgenomen. Aansluiting bij een vergunningenbestand bevordert een doelmatige uitvoering van de heffing.
Daarnaast heeft de heffingsambtenaar betwist dat aan [X] N.V. een vergunning is verleend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening.
5.Over overgang van vergunningen
Rechtspraak
Beoordeling van de middelen
Voorts volgt het Hof de heffingsambtenaar in zijn stelling dat van een publiekrechtelijke vergunning als bedoeld in artikel 1, onder c, Verordening eerst sprake is indien deze is gebaseerd op een regeling waarin is vermeld waarop deze betrekking heeft, hoe en door wie deze kan worden aangevraagd en aan welke voorwaarden dient te worden voldaan. Het bestaan van een dergelijke regeling is niet aannemelijk geworden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat niet aannemelijk is geworden dat aan [A] een vergunning is verleend als bedoeld in de Verordening.
verlening, oftewel het door een gemeente verleend hebben, van een vergunning als het materiële rechtsfeit dat beslissend te achten is. Het eveneens in artikel 1, onder c, van de Verordening genoemde vereiste van registratie van een verleende vergunning is naar mijn mening te zien als een bewijsregel, om de vergunningverlening ordelijk uitvoerbaar te houden, als vatbaar voor tegenbewijs van de kant van een belanghebbende. Het kan, naar ik meen, toch niet zo zijn dat als vaststaat dat een bepaalde vergunning is verleend, dat rechtsfeit zou kunnen worden genegeerd vanwege het ontbreken van een gemeentelijke registratie.
gemeenschappelijkeregistratie is opgenomen, als ‘dat het moet gaan om een samenhangende verzameling van vergunningen, ontheffingen, instemmingen met meldingen en dergelijke die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van deze gegevens systematisch aangelegd’. Volgens de toelichting op de VNG-Modelverordening precariobelasting valt in dit kader te denken ‘aan vergunningen of ontheffingen op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV), bouwvergunningen, meldingen en dergelijke’ en omvat de gekozen begripsomschrijving ‘al deze toestemmingen’. [62] Naar mijn mening staat ook hier kennelijk voorop welke vergunningen, ontheffingen etc. zijn verleend, samengevat als ‘al deze toestemmingen’. De registratie daarvan is te zien als een administratieve en bewijsrechtelijke kwestie.
Dit betekent dat, zelfs indien [A] houder zou zijn van een vergunning in de zin van artikel 3, tweede lid, Verordening, het slot van die bepaling het als belastingplichtige kwalificeren van die vergunninghouder verhindert.
heeft, hetgeen naar mijn mening betekent dat de ‘tenzij-bepaling’ er niet aan in de weg staat dat [A] de belastingplichtige is, ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening.