In deze zaak ging het om een aanslag reclamebelasting en precariorechten opgelegd aan een fabrikant van ijsproducten voor openbare aankondigingen op verkooppunten binnen de gemeente. De fabrikant leverde reclamemateriaal aan groothandelaren, die dit kosteloos aan detaillisten verstrekten. De detaillisten bepaalden zelf het gebruik van het reclamemateriaal zonder instructies van de fabrikant.
De fabrikant betwistte de aanslag en voerde aan dat zij als producent rechtstreeks belang had bij de reclame. Het Hof oordeelde echter dat de detaillisten, die de aankondigingen zelfstandig en naar eigen inzicht aanbrachten, het rechtstreeks belang hadden en daarom als belastingplichtigen moesten worden aangemerkt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de gemeente.
De Hoge Raad benadrukte dat wanneer meerdere partijen belang hebben bij openbare aankondigingen, slechts degene van wie het belang op de voorgrond treedt, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. In deze zaak was dat de detaillist en niet de fabrikant. Daarmee werd de aanslag aan de fabrikant terecht vernietigd.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de Reclame-, retributie- en precarioverordening 1986 en bevestigt dat het directe belang bij de openbare aankondiging bepalend is voor de belastingplicht.