ECLI:NL:PHR:2018:588

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
11 juni 2018
Zaaknummer
16/05321
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 59 SvAArt. 62 SvAArt. 64 SvAArt. 65 SvA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende waarborg afstand doen van rechtsbijstand in Arubaanse strafzaak

In deze strafzaak werd de verdachte door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens afpersing onder verzwarende omstandigheden. De verdachte verscheen in hoger beroep zonder rechtsbijstand en verklaarde zelf zijn verdediging te willen voeren. Het Hof heeft echter nagelaten te onderzoeken of de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig was gedaan en heeft de verdachte niet adequaat geïnformeerd over de consequenties van deze keuze.

De advocaat-generaal stelt dat het Hof tekort is geschoten in zijn zorgplicht om de verdachte te beschermen en te waarborgen dat het recht op een eerlijk proces niet wordt geschaad. De Arubaanse wetgeving kent een verplichte toevoeging van een raadsman bij inverzekeringstelling die ook geldt voor hoger beroep, maar het Hof heeft nagelaten te onderzoeken of de verdachte nog steeds over een raadsman beschikte. Tevens heeft het Hof de verdachte niet gewezen op zijn recht om alsnog een raadsman te verzoeken.

De AG verwijst naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is bepaald dat de rechter zich ervan moet vergewissen dat afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan en dat de verdachte tijdens de procedure bijzondere aandacht moet krijgen voor zijn positie en de benodigde informatie. Gezien het ontbreken van deze waarborgen en het motiveringsgebrek acht de AG vernietiging van het arrest op zijn plaats en adviseert hij terugwijzing van de zaak voor een nieuwe berechting.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting met waarborging van het recht op rechtsbijstand.

Conclusie

Nr. 16/05321 A
Zitting: 12 juni 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij vonnis van 19 september 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) wegens “afpersing onder verzwarende omstandigheden, strafbaar gesteld bij art. 2:294 jo Pro. 2:289, onderdeel e, van het Wetboek van Strafrecht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het Hof de teruggave van een in beslag genomen sleutel aan de rechthebbende gelast.
Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat het Hof aan de zonder rechtsbijstand ter terechtzitting verschenen, en voorlopig gehechte, verdachte ten onrechte geen raadsman heeft toegevoegd, althans heeft verzuimd te onderzoeken of daartoe noodzaak bestond, en dat het Hof er voorts geen blijk van heeft gegeven er op te hebben toegezien dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is nageleefd.
Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken van het geding kan over het procesverloop, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende worden afgeleid:
(i) de inverzekeringstelling vond plaats op 22 september 2015 te 22:00 uur;
(ii) op 25 september 2015 volgde de voorgeleiding aan de rechter-commissaris ter beoordeling van de rechtmatigheid van (de voortzetting van) de inverzekeringstelling als bedoeld in art. 89, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van Aruba (hierna: SvA). Daarbij was mr. Hart als raadsvrouw van de verdachte aanwezig. De inverzekeringstelling werd voortgezet;
(iii) op 30 september 2015 vorderde de officier van justitie de verlening en tevens de verlenging van het bevel tot bewaring. In dat verband werd de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Hart, op 1 oktober 2015 gehoord. Op dezelfde dag verleende de rechter-commissaris het bevel tot bewaring en verlengde hij dit bevel met ingang van 10 oktober 2015 voor een termijn van acht dagen;
(iv) op 13 oktober 2015 werd de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Hart, opnieuw door de rechter-commissaris gehoord, voorafgaand aan het bevel tot gevangenhouding. De verdachte ontkende iets met de overval te maken te hebben gehad;
(v) op 15 december 2015 is de verdachte in het bijzijn van zijn raadsvrouw gehoord, voordat de verlenging van zijn gevangenhouding door de rechter-commissaris werd bevolen;
(vi) ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 januari 2016 verscheen de verdachte naast zijn raadsvrouw mr. Hart. De zaak kon die dag niet inhoudelijk behandeld worden omdat de officier van justitie het eindproces-verbaal nog niet gereed had;
(vii) ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 maart 2016 verscheen de verdachte met zijn raadsman mr. Mohamed. De verdachte heeft toen het tenlastegelegde ondubbelzinnig ontkend. Blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting heeft de raadsman bij pleidooi het woord gevoerd, maar niets wezenlijks ter verdediging aangevoerd. De raadsman gaf slechts aan, de verdachte erop te hebben gewezen dat diens verklaring niet aannemelijk zou worden geacht en refereerde zich verder aan het oordeel van de rechter;
(viii) op dezelfde dag is de verdachte bij strafvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba wegens het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De verdachte heeft vervolgens door middel van een schriftelijke verklaring als bedoeld in art. 448 SvA Pro hoger beroep doen aanwenden;
(ix) op 25 april 2016 heeft de raadkamer van het Hof overeenkomstig art. 108, derde lid, SvA getoetst of de gevallen en gronden voor de gevangenhouding nog aanwezig waren. In het procesdossier heb ik geen stuk aangetroffen waaruit blijkt of de verdachte – al dan niet voorzien van rechtsbijstand – bij die gelegenheid over de voortzetting van zijn voorlopige hechtenis is gehoord;
(x) de dagvaarding van de verdachte om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen is aan de verdachte in persoon betekend. Op de appeldagvaarding staat als voorgedrukte tekst vermeldt: “Afschrift aan raadsman verstrekt op:”. Achter deze tekst is echter niets ingevuld;
(xi) op beide terechtzittingen in hoger beroep (20 juni 2016 en 29 augustus 2016) is de verdachte verschenen, beide keren zonder rechtskundige bijstand van een raadsman of raadsvrouw.
5. Het proces-verbaal van de (pro forma) terechtzitting van het Hof van 20 juni 2016 vermeldt onder meer het volgende:
“Namens de verdachte is geen advocaat ter terechtzitting verschenen. De verdachte heeft een verklaring overgelegd dat hij geen advocaat wenst en zichzelf wenst te verdedigen”.
6. Op de terechtzitting van 29 augustus 2016 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van deze zitting houdt onder meer in:
“De verdachte heeft zich niet van rechtsbijstand voorzien. De voorzitter heeft de verdachte gewezen op de mogelijkheid de behandeling aan te houden tot hij dit heeft kunnen regelen. De verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard dit niet nodig te achten.
[…]
reden hoger beroep
Op de vraag van de voorzitter naar de reden voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, geeft de verdachte als reden op: Ik ben onschuldig, ik zit voor niets vast. Mijn advocaat kan mij niet helpen. U vraagt mij wat ik nu wil doen. Ik wil dat de zaak vandaag behandeld wordt. Ik heb geen advocaat nodig, ik heb zelf opgeschreven wat ik wil zeggen.
[…]
laatste woord
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart: Ik ben onschuldig, maar er wordt samengespannen om mij hiervoor te veroordelen. Mijn advocaat [A] wilde mij wel helpen, totdat hij zag dat één van de verbalisanten ook [A] heet. Toen heeft hij zich meteen teruggetrokken.”
7. In het bestreden arrest valt nog het volgende te lezen:
“Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de (waarnemend) procureur- generaal, mr. F.A.P.M. van Deutekom, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. De verdachte heeft zich niet voorzien van rechtsbijstand en heeft -desgevraagd- verklaard zelf zijn verdediging ter hand te willen nemen.”
8. Allereerst behelst het middel de klacht dat het Hof onder de beschreven omstandigheden zelf een raadsman aan de verdachte had moeten toevoegen en zulks ten onrechte niet heeft gedaan, dan wel de noodzaak tot toevoeging had moeten onderzoeken.
9. Art. 6, derde lid aanhef en onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Deze verdragswaarborg komt tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering van Aruba. Uitgangspunt is dat de verdachte op grond van art. 59, eerste lid, SvA te allen tijde een of meer raadslieden kan kiezen. Heeft de verdachte geen raadsman, dan kan hem een raadsman worden toegevoegd (art. 64, eerste lid, SvA). Ingeval van inverzekeringstelling is toevoeging in beginsel verplicht (indien de verdachte niet over een gekozen raadsman beschikt). De toevoeging geldt dan voor de gehele procedure in feitelijke aanleg, dat wil zeggen in beide instanties. Voor zover hier van belang, bepalen de artikelen 62 en 64 SvA namelijk:
Art. 62
“1. Aan iedere verdachte, die in verzekering is gesteld, wordt een raadsman toegevoegd, zodra tegen hem het bevel tot inverzekeringstelling wordt verleend, tenzij hij uitdrukkelijk heeft verklaard van het recht op toevoeging afstand te doen.”
Art. 64“2. Elke toevoeging geldt zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep. Hierbij wordt het voorbereidend onderzoek geacht deel uit te maken van de eerste aanleg.”
10. Met deze bepalingen wijkt het Arubaanse strafprocesrecht enigszins af van de Nederlandse regeling (art. 40 Sv Pro e.v.), hetgeen overigens een weloverwogen keuze van de Arubaanse wetgever is geweest. [1] Art. 40, eerste lid, Sv bepaalt immers dat voor de verdachte die geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman wordt aangewezen na mededeling door het openbaar ministerie dat “a. ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is bevolen, dan wel, indien de verdachte niet in verzekering is gesteld, ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is gevorderd; b. hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis in eerste aanleg en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen”. Een afzonderlijke bepaling als art. 40, eerste lid aanhef en onder b, Sv is in het Arubaanse Wetboek van Strafvordering overbodig, gelet op het bepaalde in art. 64, tweede lid, SvA (in hoger beroep hoeft geen raadsman (meer) te worden toegevoegd).
11. De eerste klacht berust hoofdzakelijk op art. 65 SvA Pro, luidend:
“1. Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt de verdachte een andere raadsman toegevoegd. De toegevoegde raadsman geeft van zijn verhindering of ontstentenis kennis aan de instantie die met de toevoeging is belast.
2. Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden toegevoegd. Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt diens verzoek door de officier van justitie zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de instantie die met de toevoeging is belast.”
12. Het eerste lid van art. 65 SvA Pro heeft – zo kan in navolging van de overweging van de Hoge Raad met betrekking tot het woordelijk daaraan gelijkluidende art. 65 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (SvC) worden gezegd [2] – “grotendeels dezelfde inhoud” als art. 44, eerste lid, Sv, luidend: “Bij verhindering of ontstentenis van de aangewezen raadsman treft deze een voorziening voor zijn waarneming; indien blijkt dat dit niet is geschied, wordt zo nodig voor de verdachte onverwijld een andere raadsman aangewezen.” De voorloper van art. 44, eerste lid, Sv, dat wil zeggen art. 45 (oud) Sv, heeft de Hoge Raad in het licht van de wetsgeschiedenis zó uitgelegd dat bij verhindering of ontstentenis van de raadsman in de regel aan de verdachte een andere raadsman moet worden toegevoegd (thans aangewezen) en dat daarvan slechts in bijzondere gevallen kan worden afgezien. [3] De Arubaanse wettekst voldoet aan deze jurisprudentiële aanscherping, nu in art. 65, eerste lid, SvA de relativerende woorden “zo nodig” niet voorkomen. [4]
13. Eenmaal aangewezen of toegevoegde raadslieden dragen in het strafproces de aan de aanwijzing of toevoeging inherente verantwoordelijkheid een verdachte ook daadwerkelijk bij te staan. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de eerste volzin van art. 44, eerste lid, Sv, respectievelijk in de tweede volzin van art. 65, eerste lid, SvA. De Nederlandse bepaling dicteert dat de aangewezen raadsman bij verhindering of ontstentenis in beginsel zelf een voorziening treft. Het Arubaanse artikellid schrijft voor dat de raadsman de met toevoeging belaste instantie in kennis stelt. De verantwoordelijkheid die hier op de aangewezen of toegevoegde raadsman rust, vindt ook uitdrukking in de rechtspraak van de Hoge Raad: de mededeling van een advocaat dat hij de verdediging neerlegt, is niet gelijk te stellen met een geval als bedoeld in art. 40, eerste lid aanhef en onder b, Sv waarin de verdachte geen raadsman heeft. Die enkele mededeling doet immers de aanwijzing of toevoeging niet eindigen, zodat de eigen verantwoordelijkheid van de raadsman voortduurt voor zover het de verdediging van de verdachte betreft. [5]
14. Uit de stukken van het geding volgt dat de verdachte in eerste aanleg door twee verschillende raadslieden is bijgestaan, te weten mr. Hart en mr. Mohamed. In hoger beroep keren deze namen niet terug. Het valt op dat de verdachte op beide terechtzittingen van het Hof geen rechtsbijstand had. Over de reden daarvan geven de stukken van het geding geen opheldering. Ook het Hof heeft daarover kennelijk niets vastgesteld, althans de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep maken daarvan geen melding. Voorts is niet duidelijk of de verdachte in eerste aanleg is bijgestaan door een gekozen dan wel door een toegevoegde raadsman. En evenmin geven de gedingsstukken uitsluitsel over de vraag of en, zo ja, op welke wijze de rechtsbijstand van de beide raadslieden is beëindigd. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte in appel aanvankelijk een raadsman of raadsvrouw had en dat deze de wens van de verdachte om zich zonder rechtsbijstand ter terechtzitting zelf te verdedigen heeft gerespecteerd. Denkbaar is echter ook dat de verdachte gedurende (de fase van) het hoger beroep geheel van rechtsbijstand verstoken is gebleven. De ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring dat zijn advocaat hem niet kan helpen, is in dat verband voor meerderlei uitleg vatbaar. En of de, volgens het laatste woord van de verdachte, door zijn advocaat [A] aangeboden hulp betrekking had op de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep dan wel op een andere vorm van hulpverlening, blijft eveneens ongewis.
15. Gezien de stukken van het geding ga ik er (met de steller van het middel) vanuit dat overeenkomstig art. 62, eerste lid, SvA bij de inverzekeringstelling aan de verdachte mr. Hart als raadsvrouw is toegevoegd en dat er voorts voldoende aanleiding is te vermoeden dat de verdachte niettegenstaande de toevoeging bij de inverzekeringstelling in hoger beroep geen bijstand van een raadsvrouw of raadsman heeft gehad. Relevant verschil ten opzichte van een soortgelijke situatie in Nederland – indien in hoger beroep niet van enig optreden van de raadsman is gebleken, kan worden aangenomen dat de verdachte geen raadsman had [6] – is dat in Aruba de toevoeging van een raadsman bij de inverzekeringstelling de fase van hoger beroep omvat. [7] Of de verdachte in hoger beroep nog over de toegevoegde raadsman beschikte, laat zich (als gezegd) op grond van de stukken van het geding in cassatie niet vaststellen, maar het is naar het mij toeschijnt wel een vraag die in deze zaak onder de voorliggende omstandigheden van betekenis is.
16. Het Hof heeft kennelijk geen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen naar de reden van de afwezigheid van de raadsman in hoger beroep, of, als dat onderzoek wel is gedaan, de uitkomsten daarvan in het proces-verbaal te vermelden. Wellicht zag het Hof de noodzaak daartoe niet, gezien ‘s Hofs (kennelijke) oordeel dat de verdachte “zich niet [heeft] voorzien van rechtsbijstand en – desgevraagd – [heeft] verklaard zelf zijn verdediging ter hand te willen nemen”, op welk oordeel het middel eveneens zijn pijlen richt.
17. Een verdachte – het is hiervoor reeds opgemerkt – heeft enerzijds het recht om zich ter terechtzitting te doen bijstaan door een advocaat, maar anderzijds ook het recht zichzelf te verdedigen en aldus afstand te doen van het recht op rechtsbijstand. Passeert de feitenrechter de kenbare wens van de verdachte om te worden bijgestaan door een (andere) raadsman dan komt natuurlijk onmiddellijk schending van art. 6, derde lid onder c, EVRM in het verschiet. [8] Rechtsbijstand kan een verdachte echter niet worden opgedrongen. [9] De vrijheid van de verdachte om hierin zelf een keuze te maken, is evenzeer een recht en uiteindelijk beslissend. Dat betekent echter niet dat de feitenrechter zich meteen kan neerleggen bij een uitgesproken wens van de verdachte om zelf de verdediging te voeren. Niet iedere verdachte overziet immers (altijd) de juridische merites van zijn zaak en de gevolgen van zijn zelfgemaakte keuzes en procesopstelling. Het is dan de rechtsgeleerde raadsman of -vrouw die de verdachte van rechtskundige informatie en advies kan voorzien en hem op de terechtzitting, vooral ook als woordvoerder, kan bijstaan en aldus zijn individuele belangen kan behartigen. Het wordt misschien weleens uit het oog verloren, maar naast het particuliere belang van de verdachte wordt bij een goede rechtsbijstand ook het algemeen belang bij een eerlijk proces en bij een zorgvuldige waarheidsvinding gediend. [10] Tegen deze achtergrond heeft de Hoge Raad in het arrest van 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
NJ2010/143, m.nt. Schalken nog eens buiten twijfel gesteld dat de feitenrechter in dit verband een grote verantwoordelijkheid heeft om de verdachte te informeren over zijn rechten en over de consequenties en risico’s van zijn keuze voor het doen van afstand van rechtsbijstand, ook ten einde te waarborgen dat door het doen van afstand de ‘fairness’ van het strafproces niet tekort wordt gedaan. [11] In voormeld arrest uit 2009 was sprake van een bijzondere zaak waarin de kwetsbare en net meerderjarig geworden verdachte (Julian C.) te kennen had gegeven op bijstand van een raadsman geen prijs te stellen, zulks terwijl hem de moord op een 7-jarige jongen was tenlastegelegd. Hier kwam de rechterlijke verantwoordelijkheid in relatie tot de wens van de (jonge en kwetsbare) verdachte om zelf de verdediging te voeren volop voor het voetlicht. De Hoge Raad overwoog:
“3.3.1. Art. 6, derde lid onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv Pro).
3.3.2. Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. Dat geldt ook indien aan de verdachte een raadsman is toegevoegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat een (toegevoegde) raadsman daadwerkelijk optreedt in het geval de verdachte ervoor kiest zichzelf te verdedigen en dus afstand doet van het recht op rechtsbijstand. De wet kent dus niet de mogelijkheid van rechtsbijstand tegen de wil van de verdachte. In dat verband verdient nog opmerking dat ingevolge Regel 9 van de voor advocaten geldende Gedragsregels 1992 het advocaten niet is toegestaan om handelingen te verrichten tegen de kennelijke wil van hun cliënt.
3.3.3. Voor enkele gevallen heeft de wetgever dat stelsel doorbroken. Zo komen, indien de verdachte de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, alle aan de verdachte toekomende bevoegdheden ook toe aan zijn raadsman (art. 503, eerste lid, Sv). Hetzelfde geldt ten aanzien van de berechting van een verdachte bij wie een zodanige gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen (art. 509a in verbinding met art. 509d, derde lid, Sv). In die gevallen is geen plaats voor afstand van het recht op rechtsbijstand. De raadsman is dan bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft. 3.4. Met die bijzondere regelingen is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. Dat betekent niet dat in de overige gevallen de zorg voor een dergelijke, door art. 6 EVRM Pro vereiste verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt in het bijzonder indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.”
18. Dat de Hoge Raad in dit arrest duidelijk maakt dat de verplichte rechtsbijstand aan jeugdigen en verdachten met een gebrekkige ontwikkeling in of ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet betekent dat de zorg voor de verdediging in andere gevallen steeds en zonder meer aan de verdachte zelf kan worden gelaten, had mogelijk te maken met de bijzondere omstandigheden van de zaak Julian C. en de persoonlijke kenmerken van de verdachte. De in 3.4 van het aangehaalde arrest weergegeven rechtsoverwegingen zijn echter intussen vaste rechtspraak geworden. Dit brengt mee dat de zittingsrechter niet alleen is gehouden erop toe te zien dat het recht op een eerlijk strafproces door de keuze van de verdachte afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand niet tekort wordt gedaan, maar tevens dat hij zich ervan moet vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan en dat hij – wanneer hij de keuze van de verdachte voor eigen verdediging respecteert – aan de positie van de verdachte en de eerlijkheid van diens proces gedurende de behandeling van de zaak bijzondere aandacht dient te schenken. [12] Dat geldt ook in strafzaken waarin de verdachte niet een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd hangt en/of waarin de verdachte geen kwetsbare indruk maakt dan wel niet de indruk wekt dat hij de strekking en gevolgen van zijn keuze zichzelf te verdedigen niet overziet.
19. De strafzaak die leidde tot HR 20 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406,
NJ2012/29 laat zich met de onderhavige zaak goed vergelijken. Vervolging vond plaats ter zake van de onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud was. Nadat het procesverloop in hoger beroep de horde van vijf terechtzittingen en vier verschillende advocaten had weten te nemen, verscheen de verdachte op de zesde zitting zonder advocaat. De verdachte verklaarde toen zich verder zelf te willen verdedigen, dus buiten aanwezigheid van een raadsman om, en gaf als zijn wens te kennen dat de zaak werd voortgezet. Na beraad in raadkamer, werd voortgegaan met de behandeling van de zaak en werden het verzoek tot het horen van getuigen en het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte besproken. Op de laatste zitting, waarop de zaak inhoudelijk werd behandeld, verscheen de (nog altijd voorlopig gehechte) verdachte wederom zonder raadsman. Het desbetreffende proces-verbaal houdt in:
“De verdachte verklaart het volgende, zakelijk weergegeven:
Mijn raadsvrouw is niet aanwezig. Zij was van mening dat haar aanwezigheid schadelijk zou zijn voor de zaak. Ik kan mezelf goed verdedigen. Ik wil graag dat de zaak vandaag wordt behandeld.
De voorzitter wijst verdachte op zijn recht op rechtsbijstand.
De verdachte handhaaft zijn verzoek tot voortzetting van de behandeling.
De voorzitter deelt hem mee dat met de behandeling van de zaak kan worden voortgegaan, maar dat het hof geen eindarrest zal wijzen (doch de behandeling zal heropenen) indien verdachte binnen één week na sluiting van het onderzoek (welke sluiting naar verwachting vandaag plaats vindt) doet weten toch alsnog een raadsman te wensen.”
Na, ten opzichte van het hiervoor aangehaalde arrest uit 2009 in iets andere bewoordingen, de toezichthoudende en vergewissende taak van de zittingsrechter in het licht van (kort gezegd) het recht op een eerlijk proces te hebben vooropgesteld, overwoog de Hoge Raad:
“3.4 In deze zaak is sprake van een ernstig misdrijf, dat bedreigd is met een gevangenisstraf van negen jaren. Blijkens het in hoger beroep gehouden requisitoir heeft de Advocaat-Generaal de oplegging van een gevangenisstraf van acht jaren gevorderd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid.
3.5. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat de afstand door de verdachte van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Evenmin blijkt uit die processen-verbaal dat het Hof tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht heeft geschonken aan de positie van de verdachte door hem informatie te verstrekken die hij nodig had voor zijn verdediging. Ten slotte blijkt uit die processen-verbaal niet dat het Hof bij de aanvang van de terechtzitting dan wel op enig ander in aanmerking komend moment, zoals na het requisitoir, de verdachte het belang van rechtsbijstand in deze zaak en de consequenties van de door hem ingenomen proceshouding heeft voorgehouden in het licht van hetgeen er voor hem op het spel stond, de juridische aspecten van de zaak daaronder begrepen. Het middel klaagt derhalve terecht dat sprake is van een motiveringsgebrek.”
20. In de onderhavige strafzaak is eveneens sprake van een ernstig misdrijf. Op grond van art. 2:294, derde lid, SrA is afpersing overeenkomstig art. 2:291, tweede lid, SrA j° art. 2:289, eerste lid onder e, SrA bedreigd met een gevangenisstraf van twaalf jaren indien het feit is gepleegd tegen een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land is. In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep bevestiging van dit vonnis gevorderd. De verdachte heeft evenwel steeds ontkend het tenlastegelegde te hebben begaan. [13] Onder deze omstandigheden heeft naar mijn inzicht ten aanzien van de voorliggende zaak hetzelfde te gelden als in het arrest uit 2011: gelet op de juridische merites ervan en op hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, kan geen twijfel erover bestaan dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang is gemoeid.
21. Evenals in het ‘2011-arrest’ blijkt in de onderhavige zaak uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep niet dat het Hof zich ervan heeft vergewist dat het afstand doen van rechtsbijstand door de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Het Hof heeft de verdachte niet gevraagd naar de redenen voor zijn wens zichzelf te verdedigen. Zulks lag in het bijzonder in deze zaak wel in de rede, gezien de wijze waarop namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg het woord is gevoerd en de opmerking van de verdachte dat zijn advocaat hem niet kon helpen. Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep blijkt evenmin dat het Hof de verdachte het belang van rechtsbijstand in deze zaak en de consequenties van de door hem gemaakte keuze heeft voorgehouden. Daarbij komt nog dat niet blijkt dat het Hof de verdachte adequaat en volledig heeft geïnformeerd over diens mogelijkheden om alsnog te worden bijgestaan door een raadsman. Art. 67, eerste lid onder c en d, SvA geven de verdachte het recht aan het Hof de toevoeging van een raadsman te verzoeken bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman (onder c), respectievelijk na beëindiging van een eerdere toevoeging (onder d). Het Hof heeft de verdachte daarop niet gewezen, maar hem enkel laten weten de zaak te kunnen aanhouden tot de verdachte, die gedetineerd was en is, zelf een raadsman zou hebben kunnen regelen. Ik merk daarbij meteen op dat het Hof in het bestreden arrest overweegt dat de (gedetineerde) verdachte zich niet heeft voorzien van rechtsbijstand. Maar het was niet zonder meer en uitsluitend de taak van de verdachte om zelf zich van rechtsbijstand te voorzien. Althans, als de verdachte daartoe zou verzoeken, lag het mogelijk op de weg van het Hof aan de verdachte een (nieuwe) raadsman toe te voegen. Gelet op ’s Hofs verantwoordelijkheid te onderzoeken of de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan, was het Hof gehouden hem daarover te informeren. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 augustus 2016 niet dat het Hof op een later moment in de berechting – bijvoorbeeld na het requisitoir of toen de verdachte in zijn laatste woord een complicatie bij het optreden van zijn advocaat [A] en kennelijk ook bij het vinden van een nieuwe raadsman aankaartte [14] – het ontbreken van rechtsbijstand alsnog of opnieuw aan de orde heeft gesteld. [15] In het bestreden arrest heeft het Hof geen overweging gewijd aan het doen van afstand van rechtsbijstand door de verdachte. De wijze waarop in het arrest de overweging “De verdachte heeft zich niet van rechtsbijstand voorzien” is geformuleerd, wekt nogmaals de indruk dat het Hof de verantwoordelijkheid tot het regelen van rechtsbijstand bij de (gedetineerde) verdachte zelf heeft gelaten. Samengevat blijkt derhalve in de onderhavige zaak niet of nauwelijks dat het Hof de verlangde zorg heeft betracht voor een effectieve verdediging ten behoeve van de verdachte.
22. Gelet op het voorgaande lijdt de bestreden uitspraak mijns inziens aan een motiveringsgebrek. Het oordeel van het Hof dat de verdachte zich niet heeft voorzien van rechtsbijstand en desgevraagd heeft verklaard zelf zijn verdediging ter hand te willen nemen en dat dientengevolge kon worden voortgegaan met de behandeling van de zaak, is in het licht van de toevoegingsbepalingen van art. 62, eerste lid, SvA en art. 64, tweede lid, SvA niet zonder meer begrijpelijk. Voorts is het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand niet zonder meer begrijpelijk, terwijl het Hof er evenmin blijk van heeft gegeven die vraag nader te hebben onderzocht. Voor zover het middel en de toelichting daarover klagen, is zulks terecht. Reeds vanwege het slagen van deze middelonderdelen kan het arrest van het Hof niet in stand blijven.
23. Het eerste middel slaagt.
24. Het
tweede middelklaagt dat het Hof de bezwaren die de verdachte heeft aangevoerd op ontoereikende, innerlijk tegenstrijdige gronden heeft verworpen, zulks tegen de omstandigheid dat ongevraagd en onverhoeds filmbeelden van de verdachte zijn gemaakt en later aan getuigen zijn getoond, althans dat het Hof aan het aangevoerde vormverzuim ten onrechte geen enkel rechtsgevolg als bedoeld in art. 415, vijfde lid, SvA heeft verbonden.
25. Nu het eerste middel mijns inziens slaagt, ben ik van mening dat het tweede middel geen bespreking behoeft. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik desverlangd graag bereid ter zake aanvullend te concluderen.
26. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
27. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Memorie van Toelichting bij de Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering, Staten Aruba, Zitting 1987/88, p. 57. Zie ook T.M. Schalken en S.W. Mul (red.),
2.HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:464,
3.HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2694 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:464,
4.Zie daarover ook, in relatie tot art. 65 SvC Pro, mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie vóór HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:464,
5.Aldus uitdrukkelijk HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7809,
6.Vgl. HR 16 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7210, HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4844, HR 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1155 en HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3324.
7.Van belang is tevens dat het SvA (zie hierboven randnummer 10) niet een met art. 41, eerste lid aanhef en onder b, (oud) Sv, respectievelijk art. 40, eerste lid aanhef en onder b Sv vergelijkbare bepaling kent.
8.Zie bijv. HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8413,
9.Vgl. J.M. Reijntjes, die in zijn annotatie (onder 1.) bij HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6813,
10.G.J.M. Corstens,
11.Eerdere uitspraken van de Hoge Raad lieten ogenschijnlijk een wat ander beeld zien: zie o.a. HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0987, HR 26 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1048,
12.Zie: HR 20 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406,
13.Dat was bijv. anders in HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:687,
14.Vgl. in de context van art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv Pro de recente arresten HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:503 en HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:500. Dat de verdachte aangaf niet te weten waar de zaak over gaat, respectievelijk verklaarde dat hij dacht voor een andere zaak te zijn verschenen en kenbaar had gemaakt normaliter bijstand te hebben van een advocaat, stond aan het aannemen van afstand in de weg.
15.Dit is een belangrijk verschil met de zaak die leidde tot HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3197, waar het hof onder meer de verdachte een aantal keren, op verschillende terechtzittingen, in overweging gaf zich te laten bijstaan door de hem toegevoegde advocaat.