3.3. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 14 april 2005 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De voorzitter hervat het op 22 februari 2005 geschorste onderzoek in de zaak.
Aangezien de rechtbank thans anders is samengesteld dan ter zitting van 22 februari 2005, wordt het onderzoek ter zitting opnieuw aangevangen.
De voorzitter doet mededeling van de brief van de raadsman van de opgeëiste persoon van 13 april 2005, waarin hij mededeelt dat hij de verdediging van de opgeëiste persoon heeft neergelegd.
(...)
Op vragen van de voorzitter antwoordt de opgeëiste persoon - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik heb geen advocaat. Ik was niet tevreden over het optreden van mr. Wolters ten tijde van de vorige zitting.
(...)
Op de mededeling van de voorzitter dat de opgeëiste persoon door aangeefster [betrokkene 1] herkend is als de man die haar gestoken heeft, antwoordt de opgeëiste persoon - zakelijk weergegeven - het volgende:
Ik kan het niet begrijpen, de dossiers zijn in het Nederlands en Italiaans opgesteld. Het dossier had in het Frans vertaald dienen te worden. Ik heb ook een advocaat nodig, ik ben nog naar de rechtbank geweest om een advocaat te vinden.
(...)
De opgeëiste persoon verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:
De foto bewijst niets. Ik heb een advocaat nodig. Ik ken Nederland niet, ik versta geen Nederlands, het kost mij moeite om inlichtingen in te winnen. De advocaat van wie ik nu geen gebruik meer wens te maken had het over polygamie, daar was ik het niet mee eens. Ik ben bij de politie geweest om een andere advocaat te vragen. Ik zou een brief moeten schrijven aan de priester. Ik zou twee formulieren moeten invullen, maar ik snap de Nederlandse formulieren niet. Ik wil een nieuwe advocaat.
Mede naar aanleiding van het in de opmerkingen van de opgeëiste persoon besloten liggende verzoek om aanhouding onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter zitting voor beraad in raadkamer.
De voorzitter deelt - na beraad - als beslissing van de rechtbank mede dat zij geen aanleiding ziet de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden.
(...)
Evenmin ziet de rechtbank aanleiding de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen een nieuwe advocaat te zoeken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar de opgeëiste persoon recht heeft op bijstand van een advocaat bij de behandeling van een uitleveringsverzoek, maar in aanmerking genomen dat de aan de opgeëiste persoon toegevoegde raadsman ter zitting van 22 februari 2005 uitgebreid de belangen van hem heeft behartigd, welke belangenbehartiging er mede toe heeft geleid dat de rechtbank aan de Italiaanse autoriteiten nadere informatie heeft gevraagd en voorts dat de opgeëiste persoon pas kort voor de zitting heeft laten weten dat hij niet langer gebruik van de diensten van de toegevoegde advocaat wil maken, moet het voor rekening en risico van de opgeëiste persoon komen dat de behandeling van het uitleveringsverzoek thans zonder bijstand van een raadsman zal worden afgerond. Bij die beslissing heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat het bepaalde in artikel 24, eerste lid van de Uitleveringswet, welke bepaling mede in het belang van de verzoekende Staat is gegeven, een voortvarende behandeling van het uitleveringsverzoek eist."