ECLI:NL:HR:2008:BD7809

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01796/07
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beëindiging raadsman en toepassing art. 41 Sv

In deze strafzaak stond de verdachte in hoger beroep terecht nadat zijn raadsvrouwe had medegedeeld dat zij hem niet langer ter terechtzitting zou bijstaan. De raadsvrouwe stuurde een brief aan het hof waarin zij aangaf geen contact meer met de verdachte te hebben en daarom niet meer ter zitting aanwezig zou zijn. De verdachte en zijn raadsvrouwe verschenen niet op de zitting, waarna het hof verstek verleende en de zaak voortzette.

Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of de enkele mededeling van de raadsvrouwe dat zij de verdachte niet langer ter zijde staat, gelijkgesteld kan worden met het ontbreken van een raadsman zoals bedoeld in artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelde dat deze opvatting onjuist is omdat de toevoeging van de raadsman hierdoor niet automatisch eindigt.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof niet ambtshalve een opvolgend raadsman hoefde toe te voegen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee werd bevestigd dat de procedure correct was gevolgd en dat het ontbreken van de raadsman op de zitting niet leidde tot schending van artikel 41 Sv Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de mededeling van de raadsvrouwe niet gelijkstaat aan het ontbreken van een raadsman zoals bedoeld in art. 41 Sv.

Uitspraak

21 oktober 2008
Strafkamer
nr. 01796/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 december 2006, nummer 24/000152-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat art. 41 Sv Pro is geschonden aangezien niet ambtshalve een (opvolgend) raadsman aan de verdachte is toegevoegd.
2.2. In het dossier bevinden zich, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende stukken.
(i) Een door het Hof op 1 maart 2006 verleend bevel tot verlenging van de gevangenhouding van de verdachte.
(ii) Een op 4 oktober 2006 door de voorzitter van het Hof gegeven en tot de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Gravenhage gerichte last tot toevoeging van mr. M.A.J. Beers als raadsvrouwe aan de verdachte.
(iii) Een aan het Hof gerichte brief van de raadsvrouwe van de verdachte van 16 november 2006, inhoudende, voor zover hier van belang:
"Op donderdag 23 november a.s. te 11.30 uur wordt de strafzaak behandeld tegen [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats]. In deze zaak heb ik mij gesteld.
Ik heb echter geen contact meer met [verdachte]. Ik zal [verdachte] ter zitting dan ook niet langer ter zijde staan."
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2006 inhoudende dat aldaar de verdachte noch zijn raadsvrouwe is verschenen, alsmede dat het Hof - nadat de voorzitter mededeling had gedaan van de inhoud van de brief van de raadsvrouwe - verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, met bevel dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
2.3. Het middel steunt op de opvatting dat de enkele mededeling van de raadsvrouwe dat zij de verdachte niet langer ter terechtzitting ter zijde staat, moet worden gelijkgesteld met het in art. 41 Sv Pro voorziene geval dat de verdachte geen raadsman heeft. Die opvatting is onjuist. Die enkele mededeling doet immers de toevoeging niet eindigen.
2.4. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 oktober 2008.