Conclusie
middelbevat twee bewijsklachten. De eerste richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de e.dentifier een door misdrijf verkregen goed betreft. Daarnaast wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de in de bewezenverklaring genoemde goederen, te weten bankpassen en een e.dentifier, door misdrijf zijn verkregen.
NJ2003/460. De verdachte had een creditcard en een bankpas aangetroffen in een kastje van een laptop die hij op de markt had gekocht. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de passen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, in stand. Het oordeel van het hof was gestoeld op de ongebruikelijke plaats waar de passen waren aangetroffen in een laptop en dat het algemeen bekend is dat deze bankpassen veelvuldig voorwerp van diefstal zijn. Door na het aantreffen van de passen niet direct een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst daarvan, was de verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onder de gegeven omstandigheden geldende onderzoeksplicht. Hierdoor had de verdachte met de door schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
opzetheling van bankpassen. Anders dan bij schuldheling, is daarvoor niet voldoende dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen
redelijkerwijs had moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof, maar of de verdachte dit
wist. De drempel ligt dus hoger. [8]
opzetheling van verschillende bankpassen. Deze passen waren aangetroffen in een afgesloten kast op de slaapkamer van de verdachte. Mijn ambtgenoot Vegter wees er in zijn voorafgaande conclusie op dat de wetenschap van de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de passen in de bewijsvoering niet in het oog springt, maar dat degene die betaalpassen vindt in de regel beseft dat er een grote kans bestaat dat deze van diefstal afkomstig zijn. Hoewel de mogelijkheid bestaat dat de passen zijn verloren door de eigenaar, acht hij het een feit van algemene bekendheid dat de kans groot is dat een betaalpas in handen van een ander dan de rekeninghouder een gestolen pas betreft. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand en wees daarbij in het bijzonder op een getapt telefoongesprek van de verdachte dat licht deed schijnen op de wetenschap van de verdachte ten tijde van de verkrijging.
ten tijde van het voorhanden krijgenvan de bankpassen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze passen van misdrijf afkomstig waren. Ik ben het met mijn ambtgenoot Vegter in zijn hiervoor aangehaalde conclusie eens, dat iemand die betaalpassen in handen krijgt die op naam van iemand anders zijn gesteld, op dat moment moet beseffen dat de kans groot is dat die passen zijn gestolen. Uitgesloten kan worden dat de verdachte de passen heeft gevonden nadat de eigenaar deze heeft verloren, nu het hof heeft vastgesteld dat deze passen tijdens diens vakantie in de week voorafgaand aan de dag dat de verdachte de bankpassen in bezit had, uit zijn woning zijn ontvreemd. Weliswaar levert de omstandigheid dat de verdachte de passen tijdens zijn vlucht heeft weggegooid nog geen bewijs op dat hij ten tijde van de verkrijging van die passen de criminele herkomst ervan moest vermoeden, maar zonder betekenis is dit ook niet helemaal: kennelijk was de verdachte zich in ieder geval toen bewust van de criminele herkomst van de passen. [9] Ik meen dan ook dat het hof er vanuit mocht gaan dat de verdachte vanwege de tenaamstelling van de passen op het moment van verkrijging had moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren en zich dus schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.