Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het in art. 6, derde lid, onder d, EVRM neergelegde ondervragingsrecht is geschonden, aangezien het hof de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1] tot het bewijs heeft gebezigd zonder dat de verdediging hem in enig stadium van het geding heeft kunnen ondervragen. [1]
tweede middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, omdat het hof ten onrechte voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 1], voor zover deze een ontoelaatbare conclusie behelst.
derde middelbehelst de klacht dat de aan de Hoge Raad toegezonden afschriften van het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 oktober 2016 en het arrest van 1 november 2016 niet voor eensluidend zijn getekend en / of zijn gestempeld, zodat in cassatie niet vaststaat dat deze overeenkomen met de originele processtukken.