Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
- a. Wanneer een kind in een pleeggezin is geplaatst, moet het zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind.
- b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.
- c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.
- d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag.”
waaromhet bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. De enkele, niet nader toegelichte, verwijzing naar art. 8 EVRM Pro volstaat niet.
Foetaal Alcohol Spectrum Disorder(FASD) heeft. Dit heeft ertoe geleid dat wederom nader onderzoek noodzakelijk werd geacht. In de beschikking van 17 december 2015 heeft het hof overwogen dat het niet reëel is om ervan uit te gaan dat de moeder in staat is om de minderjarige te geven wat zij nodig heeft, gelet op de kwetsbaarheid en de specifieke problematiek van de minderjarige en de eigen problematiek van de moeder. Het hof concludeerde in - de tweede [13] - rov. 5.5 dat handhaving van de op dat moment bestaande opvoedingssituatie bij de pleegouders voor de minderjarige vanwege haar bijzondere problematiek een zwaarwegend belang vormt, waarvoor de belangen van de moeder dienen te wijken, en dat van een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder dan ook geen sprake kan zijn.
Dit is de dragende overweging voor de beslissing. [14] De stellingen van het onderdeel, voor zover al juist, kunnen aan het oordeel dat de aanvaardbare termijn ten tijde van de beslissing (ruim) is overschreden, als zodanig geen afbreuk doen. Het onderdeel faalt.
moetengelasten naar de vraag of de moeder al dan niet geschikt is om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, faalt deze klacht op grond van het volgende.
equality of armsde ouders het recht gegeven moest worden het advies van de raad voor de kinderbescherming tegen het licht te laten houden. [16] In tegenstelling tot het eerste lid van art. 810a Rv, waar de ouder een eigen deskundigenrapport wil overleggen, verplicht het tweede lid de rechter in de daar bedoelde zaken op verzoek van de ouder een deskundige te benoemen. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen, indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. [17] Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen op de grond dat de uitkomsten van het door haar verlangde onderzoek, dat zag op de vraag of zij in staat is om de opvoeding van de minderjarige binnen een aanvaardbare termijn ter hand te nemen, geen wijziging kunnen brengen in het oordeel dat de aanvaardbare termijn in het geval van de minderjarige
reeds ruim is verstrekenen terugplaatsing van haar bij de moeder niet meer aan de orde is, ook niet als nog vastgesteld zou worden dat de moeder inmiddels (wel) over voldoende opvoedingsvaardigheden zou beschikken. Aldus kon een deskundigenbericht, in de woorden van art. 810a lid 2 Rv, volgens het hof niet “tot de beslissing van de zaak leiden”.
reeds ruim is verstreken. Van strijd met art. 3 IVRK Pro en art. 8 EVRM Pro is ook geen sprake. Art. 3 lid 1 IVRK Pro bepaalt, voor zover van belang, dat bij alle maatregelen betreffende kinderen die worden genomen door rechterlijke instanties, de belangen van het kind “de eerste overweging” vormen. Het hof heeft geoordeeld dat het juist in het belang van de minderjarige is dat haar perspectief bij de pleegouders ligt en dat er bij haar en de pleegouders duidelijkheid komt over haar opgroeien bij de pleegouders. Aldus heeft het hof aan het belang van de minderjarige beslissende betekenis toegekend. Met betrekking tot de gestelde strijd met art. 8 EVRM Pro zij allereerst verwezen naar het hiervoor in 2.8 opgemerkte. Het in het eerste lid van dit artikel neergelegde recht van een ieder op (onder meer) bescherming van zijn familie- en gezinsleven is blijkens het tweede lid niet onbegrensd. De wet voorziet in art. 1:266 BW Pro in een mogelijkheid om in het belang van de minderjarige het gezag van een ouder op een aantal specifiek omschreven gronden te beëindigen. Rechtbank en hof hebben geoordeeld dat de in het eerste lid onder a genoemde grond van toepassing is. De inbreuk op art. 8 lid 1 EVRM Pro is derhalve gerechtvaardigd door het bepaalde in lid 2 van dat artikel: de Pro rechten en belangen van de minderjarige.
moetenworden gehoord, en dat zij ingevolge dat artikel vóór hun twaalfde
kunnenworden gehoord. Het onderdeel stelt dat de minderjarige gelet op art. 12 IVRK Pro het recht had om gehoord te worden, ook al was zij net geen 12 jaar oud, eventueel via een vertegenwoordiger. Onder verwijzing naar enkele paragrafen van
General CommentNo. 12 van het Comité voor de Rechten van het Kind, Sessie 25 mei tot 12 juni 2009 [19] , stelt het onderdeel ter toelichting, samengevat, dat het realiseren van het recht voor een kind om zelf gehoord te worden in alle aangelegenheden die het kind aangaan, een duidelijke en onmiddellijke juridische verplichting is voor de Staten onder het IVRK, en dat niet gemakkelijk moet worden aangenomen dat kinderen iets niet zullen begrijpen en dat er daarom van het horen moet worden afgezien. Zonder verwijzing naar een vindplaats in de processtukken stelt het onderdeel in 4.2 dat is aangevoerd dat, voor het geval het hof “zou menen” dat de minderjarige niet zelf gehoord kan worden, er in dat geval voor haar een bijzondere curator kan worden benoemd. Het onderdeel verwijst in dat verband wederom naar
General CommentNo. 12 van het Comité voor de Rechten van het Kind (par. 35-37). Het onderdeel klaagt dat onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is dat het hof “zelfs” de benoeming van een bijzondere curator heeft afgewezen.
rechtvan de minderjarige van 12 jaar en ouder om zijn mening kenbaar te maken. Het betekent niet dat van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt en de minderjarige derhalve verplicht zou zijn op het in de oproep vermelde tijdstip bij de rechter te verschijnen. [20] In zijn beschikking van 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084, NJ 2014/24 m.nt. S.F.M. Wortmann bevestigde de Hoge Raad dat art. 809 Rv Pro het
rechtvan de minderjarige betreft om te worden opgeroepen om zijn mening kenbaar te maken, niet de verplichting van de rechter om de minderjarige te horen alvorens een beslissing te nemen. In de beschikking, waarin mede onder verwijzing naar art. 12 IVRK Pro het belang van de minderjarige om zijn mening kenbaar te kunnen maken in zaken die hem betreffen, wordt benadrukt, gaat de Hoge Raad uitgebreid in op de vraag op welke gronden afgezien kan worden van het oproepen voor het horen van een minderjarige. In haar noot onder de uitspraak geeft Wortmann onder 6 een overzicht. Een minderjarige van 12 jaar of ouder hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld zijn mening kenbaar te maken, indien:
General Principles. [29] Dit betekent dat bij de implementatie van kinderrechten dit artikel in het bijzonder in acht moet worden genomen. In 2009 heeft het Kinderrechtencomité
General CommentNo. 12 gepubliceerd, getiteld
The right of the child to be heard. [30] Dit document geeft een juridische analyse en nadere richtlijnen voor het implementeren van art. 12 IVRK Pro en in het bijzonder hoe passend belang gehecht moet worden aan de mening van het kind. [31] Het IVRK noemt uitdrukkelijk geen leeftijdsgrens.
Kind en ouder in de 21e eeuwvan de Staatscommissie Herijking Ouderschap aangeboden. [33] De Staatscommissie werd op 1 mei 2014 ingesteld in reactie op een motie van de Eerste Kamerfractie die hiertoe opriep. De opdracht aan de Staatscommissie was de regering te adviseren over de wenselijkheid van wijziging van bestaande regelgeving die betrekking heeft op het ontstaan van juridisch ouderschap en de invoering van een wettelijke regeling voor meerouderschap en meeroudergezag en draagmoederschap. [34] Naast aanbevelingen op specifiek deze kwesties heeft de Staatscommissie een groot aantal andere aanbevelingen gedaan die omvangrijkere groepen personen zullen raken. Onder meer heeft de Staatscommissie gekeken naar de positie van “de betrokken kinderen”. Daarbij heeft zij ook aandacht besteed aan het hoorrecht. De Staatscommissie heeft op dat punt de volgende Aanbeveling gedaan: [35]
De positie van het kind in het procesrecht
rechtstreeksgehoord hoeft te worden, maar ook via bijvoorbeeld betrokken derden naar voren kan worden gebracht.