Conclusie
[A] c.s./Staatuit 2014 en die uit de arresten van 22 december 2017, nu ten overstaan van een raadsheer-commissaris een inlichtingencomparitie heeft plaatsgevonden, terwijl het arrest door de meervoudige kamer is gewezen.
In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep gaat het om de vraag of de belangen die FNV in de onderhavige procedure behartigt gelijksoortige belangen in de zin van art. 3:305a BW zijn.
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onder v(de boven-cao-werknemers hebben vanaf de gehanteerde wijzigingsdatum geen loonsverhoging volgens de CAO-Houthandel meer toegekend gekregen) en
onder vi(Pontmeyer heeft de onkostenvergoedingen eenzijdig verlaagd). ‘s Hofs oordelen over de andere wijzigingen zijn in cassatie niet meer aan de orde.
bekend wasdat deze ten overstaan van een raadsheer-commissaris en niet ten overstaan van een meervoudige kamer zou plaatsvinden.
.Daar staat echter tegenover dat partijen in de onderhavige zaak, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 22 december 2017, ná de comparitie alsnog om pleidooi ten overstaan van de meervoudige kamer hadden kunnen verzoeken. In verzoekschriftprocedures – waar in beginsel altijd een mondelinge behandeling plaats vindt – is dat niet het geval. FNV heeft dat echter niet gedaan. Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt dat aan het einde van de comparitie, na een schorsing voor het trachten te bereiken van een minnelijke regeling, namens FNV is verzocht een datum te bepalen voor arrest. Het standpunt van FNV (repliek in cassatie onder 5), dat haar aan het einde of na de comparitie uitdrukkelijk had moeten worden voorgehouden of zij alsnog pleidooi wenste ten overstaan van een meervoudige kamer, spreekt mij niet aan. In dagvaardingszaken (in hoger beroep) wordt partijen nooit de vraag voorgelegd of zij pleidooi wensen; zij worden geacht dat eigener beweging aan te geven. Dit volgt ook uit het woord ‘desverlangd’ in art. 134 Rv Pro. Na invoering van de Wet KEI is dit trouwens anders: op grond van art. 354 Rv Pro-KEI moeten partijen worden gewezen op hun recht te worden gehoord. [9]
Arbeidsvoorwaarde?
4.4. Bij de beoordeling is verder het volgende van belang. Niet in geschil is dat werknemer als een zeer goed functionerende medewerker kan worden aangemerkt. Mede op grond hiervan beroept werknemer zich ten aanzien van de werktijden op een ‘verworven recht’ (te weten het naar eigen inzicht mogen bepalen van die werktijden zolang de targets worden gehaald). Hij heeft zich in dit verband beroepen op de verklaring van Y (zie 2.13). Uit die verklaring blijkt dat, in ieder geval tot april 2009, bij werkgever flexibel werd omgegaan met de werktijden, zolang het geld maar werd binnengehaald. Uitgaande van de juistheid van de verklaring van Y is de voorzieningenrechter van oordeel dat op enig moment door een werkgever betrachte flexibiliteit niet zonder meer betekent dat die flexibiliteit onderdeel gaat uitmaken van de arbeidsvoorwaarden en dat vervolgens die arbeidsvoorwaarden niet door de werkgever eenzijdig kunnen worden gewijzigd. Het staat een werkgever in beginsel vrij, zeker bij gewijzigde (markt)omstandigheden waar hier sprake van is, om na een periode van flexibiliteit de touwtjes weer aan te trekken. In dit geval kan dit niet als een (ongeoorloofde) eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Weliswaar heeft de voorzieningenrechter begrip voor het belang van werknemer bij flexibele werktijden, maar gezien hetgeen werkgever hierover heeft aangevoerd kunnen ook haar belangen niet worden veronachtzaamd. Tijdens kantooruren dient op zijn minst sprake te zijn van een minimale bezetting. Van een werkgever die meerdere werknemers in dienst heeft, kan niet te gemakkelijk worden verwacht dat hij één van die werknemers in een uitzonderingspositie plaatst. Tot slot heeft werkgever voorshands terecht aangevoerd dat de door werknemer voorgestane flexibiliteit tot gevolg heeft dat hij structureel minder werkt dan overeengekomen (terwijl flexibiliteit veronderstelt dat gemiddeld genomen het juiste aantal uren per dag wordt gewerkt). Een en ander leidt ertoe dat ook vordering II zal worden afgewezen.”
(i) de
lengte van de periodewaarover een bepaald voordeel aan de werknemer is verstrekt: hoe langer deze is, hoe meer vertrouwen gerechtvaardigd kan zijn, in het bijzonder wanneer vanaf de aanvang van het dienstverband een bepaalde gedragslijn is gevolgd. Op de vraag
hoe langeen bepaald voordeel moet zijn toegekend om gerechtvaardigd vertrouwen bij de werknemer op te wekken, is geen eenduidig antwoord te geven;
(ii) of door de werkgever is
meegedeeldaan de werknemer dat sprake was van een onverplicht voordeel (of, dat dat voor de werknemer anderszins kenbaar was): als dat het geval is zal in het algemeen geen sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen.
aardvan het ‘extraatje’ of het genoten voordeel is. Als het gaat om ‘extraatjes’ die verband houden met de betaling van regulier loon (bijvoorbeeld doorbetaling bij ziekte) zal eerder worden aangenomen dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dan bij de betaling van bijvoorbeeld een bonus. Zie in deze zin ook Van der Kind: [24]
Het verschil (…) is mogelijk te verklaren door de strekking van de voorwaarde: doorbetaling van het volledige loon tijdens ziekte voorkomt dat de werknemer als gevolg van een onverwachte gebeurtenis een teruggang in inkomen ervaart, terwijl de aanspraak op een dertiende maand of gratificatie/bonus kan worden gezien als 'een extraatje' voor de werknemer waarvan het gemis niet tot een onmiddellijke inkomensteruggang leidt.”
achterwegeis gebleven.
Naar mijn mening is geen vaste periode te geven, die moet zijn verstreken voordat sprake kan zijn van een verworven recht. Evenmin kan worden aangenomen dat na het verloop van een bepaalde periode waarin een bepaald voordeel is toegekend,
altijdsprake is van een verworven recht. Ook zou ik niet willen uitgaan van een vaste regel, dat na verloop van een bepaalde periode (bijvoorbeeld drie of vijf jaar) waarin een bepaald voordeel is toegekend, sprake is van een omkering van bewijslast ten gunste van de werknemer.
Wel zou er vanuit kunnen worden gegaan dat
nadatde werknemer gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom hij er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat een bepaald voordeel dat hem gedurende een periode is verstrekt het karakter van een arbeidsvoorwaarde heeft gekregen, het
vervolgensaan de werkgever is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij aan de werknemer kenbaar heeft gemaakt dat het bedoelde voordeel onverplicht werd verstrekt en dat voor de werknemer redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij daaraan geen rechten kon ontlenen. Relevante gezichtspunten kunnen verder zijn:
deze jaarlijkse of periodieke loonsverhogingen aldus al zeer lange tijd plaatsvonden”(rov. 3.11). Vervolgens oordeelt het hof dat relevant is dat bij de overgrote meerderheid van de boven-cao-werknemers in hun arbeidsovereenkomst geen melding is gemaakt van de CAO-Houthandel en daarmee ook niet van de CAO-verhogingen (rov. 3.12). Daarna wordt overwogen: “
Wanneer vervolgens, zonder dat daarover iets is afgesproken, en dus in zekere zin: ongevraagd, jaarlijkse of periodieke salarisverhogingen door de werkgever worden toegekend, dan zal dat, op een bepaald moment, en in toenemende mate, bij werknemers verwachtingen scheppen.” Daaraan wordt echter direct toegevoegd: “
Die verwachtingen, ook wanneer zij lange tijd gekoesterd zijn, leiden echter niet zonder meer tot een recht op een dergelijke toekenning. Daarvoor zijn nadere omstandigheden nodig, die echter niet zijn gesteld of gebleken” (rov. 3.12). Er is dus wél sprake van bij werknemers (gedurende lange of zeer lange tijd) gewekte verwachtingen, maar deze leiden niet tot een verworven recht omdat geen nadere omstandigheden zijn gesteld of gebleken. Hiermee lijkt het doek dan gevallen voor het bestaan van ‘verworven rechten’. Maar in rov. 3.13 – waar het hof nagaat of Pontmeyer als goed werkgever kon stoppen met de CAO-loonsverhogingen voor de boven-cao-werknemers, spreekt het hof over “
de jarenlang bestaande hebbende gewoonte van Pontmeyer tot verhoging van het loon van de boven-cao-werknemers”. Hieruit zou men dan kunnen afleiden dat in de opvatting van het hof toch sprake is van een gewoonte in de zin van art. 6:248 lid 1 BW Pro en daarmee, wellicht, van een verworven recht.
Als het hof wel van dit toetsingskader is uitgegaan, is zijn oordeel dat de boven-cao-werknemers er niet gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de hen toegekende CAO-verhogingen het karakter van een arbeidsvoorwaarde hebben verkregen, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd:
zeer langetijd ontvangen (FNV heeft onweersproken gesteld dat dat was vanaf de aanvang van het dienstverband van deze werknemers);
dat over deze toezeggingen[daarmee doelt het hof op de CAO-verhogingen voor de boven-cao-werknemers]
niet apart werd gecommuniceerd.” Er dient derhalve vanuit te worden gegaan dat er door Pontmeyer geen mededelingen zijn gedaan aan de groep van boven-cao-werknemers over het onverplichte karakter van de periodieke CAO-verhogingen;
- Door FNV is gesteld [32] – en dit ligt ook besloten in de vaststellingen van het hof – dat
alleboven-cao-werknemers de CAO-verhogingen ontvingen. Derhalve doet zich niet voor dat een individuele werknemer (toevallig of incidenteel) bevoordeeld is door de werkgever.
- Het gaat hier niet om een arbeidsvoorwaarde van bijzondere aard, maar om de periodieke verhoging van reguliere loonbetalingen.
Het voorgaande betekent dat de relevante omstandigheden die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beantwoording van de vraag of de boven-cao-werknemers er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de hen toegekende CAO-verhogingen het karakter van een arbeidsvoorwaarde hadden, alle pleiten vóór een bevestigende beantwoording van die vraag. In ieder geval geeft geen van die omstandigheden een contra-indicatie.
Verder wordt uit de bestreden overweging ook niet duidelijk welke ‘nadere omstandigheden’ het hof gesteld had willen zien. Daarvoor is overigens ook geen aanknopingspunt te vinden in het door Pontmeyer gevoerde verweer.
ofeen niet op schrift gesteld voordeel tot een aanspraak voor de werknemer kan leiden, omdat sprake is van een ‘verworven recht’. Die vraag beantwoorden met de constatering dat de gedragslijn niet op schrift is gesteld, leidt tot een cirkelredenering. Voor wat betreft de overweging van het hof dat het van toepassing verklaren van een of meer cao-bepalingen ‘ook verplichtingen voor werknemers met zich kan brengen’, is mij niet duidelijk wat het hof hiermee precies op het oog heeft, in relatie tot de voorliggende vraag of sprake is van een verworven recht.
onderdeel 2.3(en
onderdeel 2.5) slagen, voor zover zij inhouden dat het oordeel van het hof op dit punt onbegrijpelijk is dan wel berust op een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 2.2heeft het hof ten onrechte onbesproken gelaten de stelling die ter comparitie door mr. Van Deijk-Amzand namens FNV is ingenomen, dat bij de aanvang van het dienstverband is verteld dat de werknemers de cao-betalingen zouden (blijven) ontvangen. Verder wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat hieruit volgt dat sprake is geweest van een aanbod dat (stilzwijgend) door de werknemers is aanvaard. Er is dan ook sprake van een overeenkomst of overeengekomen arbeidsvoorwaarde, hetgeen het hof al dan niet de rechtsgronden ambtshalve aanvullend had moeten vaststellen, en niet slechts van een ‘gewoonte’ of ‘verwachting’ waaraan zonder bijkomende omstandigheden geen rechten kunnen worden ontleend. Ook toepassing van de Haviltex-maatstaf had het hof – al dan niet onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden – tot dit oordeel moeten brengen, nu bij de uitleg van de overeenkomst tussen betrokkenen mede betekenis toekomt aan de wijze waarop zij daaraan invulling hebben gegeven, aldus nog steeds FNV. [33]
overeengekomen periodieke loonsverhogingenis naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Toepassing van het Haviltex-criterium is daarmee niet meer aan de orde.
Stoof/Mammoetheeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, hierover het volgende overwogen: [36]
(i) dat deze wijziging is ingegeven door de behoefte aan een transparant, evenwichtig en beheersbaar beloningsbeleid, in welk kader de COR zijn toestemming aan de besluiten van Pontmeyer heeft gegeven,
Stoof/Mammoet.
Stoof/Mammoetmoeten worden beoordeeld of de wijziging was toegestaan. Daarmee slaagt ook
onderdeel 2.6.
onder 2.7, dat het hof ten onrechte een doorslaggevend of groot gewicht heeft toegekend aan de instemming door de COR, geen bespreking meer.
diegevallen te beschermen belangen (dus de gevallen waarin sprake is van schriftelijke of mondelinge afspraken met individuele werknemers) niet zonder meer samenvallen met de belangen van de overige werknemers. Het is derhalve het mogelijk uiteenlopen van de belangen van de werknemers waarvoor FNV opkomt dat volgens het hof voor deze werknemers in de weg staat aan een toetsing op grond van art. 3:305a BW. De cassatieklachten van FNV richten zich echter op de boven-cao-werknemers, waarvoor niet geldt dat sprake is van schriftelijke of mondelinge afspraken met individuele werknemers, maar van een bestendige gedragslijn ten aanzien van een groep van werknemers. Voor die werknemers is geen sprake van het uiteenlopen van belangen die zich niet zouden lenen voor bundeling. [40]
onder 2.8hebben betrekking op ’s hofs oordeel in rov. 3.14, waarin wordt ingegaan op de eenzijdige wijziging door Pontmeyer van de onkostenvergoeding. Het onderdeel valt uiteen in een drietal subonderdelen.
onder 2.8.3zonder succes wordt voorgesteld. Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat FNV haar vordering met betrekking tot de onkostenvergoedingen niet voldoende heeft onderbouwd, is dat oordeel niet onbegrijpelijk.
onder 2.9voldoet niet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen, nu FNV niet heeft toegelicht waarom de overwegingen in rov. 3.5 tot en met 3.8 inzake de overige wijzigingen door het slagen van een of meer van de voorgaande klachten zou worden getroffen. Dat dit het geval zou zijn, valt niet in te zien voor zover het hof op die plaatsen heeft geoordeeld dat FNV niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Onder 12geeft Pontmeyer de inhoud van de overweging weer.
Onder 13klaagt zij dat het hof niet meer dan impliciet heeft beslist dat sprake is van gelijksoortige belangen die behandeling op grond van art. 3:305a BW rechtvaardigen en dat het hof niet begrijpelijk heeft vastgesteld of gemotiveerd om welke gelijksoortige belangen het gaat. Op zijn best heeft het hof weergegeven waarom bepaalde omstandigheden in dit geval niet aan het bestaan van gelijksoortige belangen in de weg (behoeven te) staan.
onder 15dat uit vaste jurisprudentie volgt dat aan de eis dat de ingestelde rechtsvordering strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen pas is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. [47] Pontmeyer wijst er
onder 16 en 17op dat zij in feitelijke aanleg heeft gesteld dat, voor zover al sprake is van gelijksoortige belangen, in die zin dat de vorderingen van FNV zien op eenzijdige wijzigingen in arbeidsvoorwaarden in verband met de invoering van een nieuw inschalings- en beloningssysteem, desondanks geen sprake is van belangen die zich voor bundeling lenen. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de wijziging ten aanzien van ieder van de verschillende werknemers is een individuele weging vereist, waarbij veel gewicht toekomt aan de aard, impact en gevolgen van de wijziging voor de individuele werknemer, mede in aanmerking genomen alle specifieke omstandigheden. [48] Het hof is volgens Pontmeyer ten onrechte aan dit betoog voorbijgegaan. Indien daaraan ten grondslag ligt dat het hof heeft miskend dat voor het bestaan van soortgelijke belangen in de zin van art. 3:305a BW vereist is dat die belangen zich voor bundeling lenen, getuigt het bestreden oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft miskend dat zowel voor de beoordeling of een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden in het licht van art. 6:248 lid 2 BW Pro, als voor de beoordeling of zulk een wijziging toelaatbaar is op grond van het
Stoof/Mammoet-criterium, een weging van alle specifieke persoonlijke omstandigheden van het individuele geval van iedere afzonderlijke werknemer vereist is, getuigt zijn beslissing ook om die reden van een onjuiste rechtsopvatting, aldus nog steeds Pontmeyer. Verder voert Pontmeyer
onder 18aan dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu het niet heeft gerespondeerd op de eerder weergegeven stellingen. Evenmin is gerespondeerd op de stellingen met de strekking dat de vorderingen zich niet voor behandeling in het kader van art. 3:305a BW lenen, omdat zij tot grote executieproblemen zullen leiden, zodat een efficiënte rechtsbedeling niet geholpen is met behandeling op de voet van dat artikel. [49] Onder 19stelt Pontmeyer tot slot dat deze motiveringsgebreken eens te meer klemmen omdat het hof ten aanzien van meerdere van de door FNV genoemde wijzigingen in het eindarrest - zie rov. 3.8. 3.13 en 3.14 - heeft geoordeeld dat geen sprake is van een kwestie die zich leent voor een actie op grond van art. 3:305a BW. Tegen die achtergrond is de beslissing in het tussenarrest eens te meer onbegrijpelijk. Er zou volgens Pontmeyer sprake zijn van een innerlijke tegenstrijdigheid in de gedachtegang van het hof.
De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld, kort gezegd, dat niet kan worden gesproken van gelijksoortige belangen als bedoeld in art. 3:305a BW, omdat op de verschillende arbeidsovereenkomsten verschillende cao’s van toepassing zijn, dan wel geen enkele cao en dat daardoor de wijzigingen voor de verschillende werknemers verschillende gevolgen hebben. Het hof heeft terecht geoordeeld dat die enkele omstandigheid, zeker in het licht van de overige door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, niet betekent dat geen sprake kan zijn van een gelijksoortig belang als bedoeld in art. 3:305a BW. [50] Dat wordt in zoverre door Pontmeyer ook niet bestreden.
Daarmee falen de klachten.