Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Inleiding op het te bespreken cassatiemiddel
toewijzing van de gevorderde tewerkstelling […] partijen de mogelijk biedt [biedt] om in de praktijk te kunnen beoordelen of [verweerders] aan de (volgens KLM) gewijzigde functievereisten voldoen.” Een dergelijke tijdelijke tewerkstelling, voorafgaand aan een eventuele plaatsing, biedt [verweerders] ook de gelegenheid zich gedurende een redelijke termijn na aanzegging op eventueel gebleken tekortkomingen te verbeteren, zo overweegt het hof. Toegevoegd wordt dat daarbij “
temeer van betekenis is dat over hun functioneren geen relevante klachten naar voren zijn gekomen” (rov. 3.8). Op deze gronden veroordeelt het hof KLM om [verweerders] tewerk te stellen als Shiftleader tot ofwel de desbetreffende appellant door KLM is geplaatst in de functie van Shiftleader, ofwel de desbetreffende appellant na een aangezegde redelijke termijn van verbetering niet aan de functievereisten blijkt te voldoen (rov. 3.10).
de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en
het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.
het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering’. Art. 7:669 lid Pro 5, onder b, BW bepaalt dat door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels worden gesteld voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden als bedoeld in lid 3, onderdeel a. De hier bedoelde regels zijn neergelegd in de Regeling tot vaststelling van regels met betrekking tot ontslag en de transitievergoeding, kortweg aangeduid als de Ontslagregeling. [17] Daarnaast heeft het UWV voor het ontslag wegens bedrijfseconomische redenen nieuwe beleidsregels ontwikkeld, de Uitvoeringsregels ontslag om bedrijfseconomische redenen. [18] Deze Uitvoeringsregels moeten worden beschouwd als een nadere uitwerking van en toelichting op het BW en de Ontslagregeling, zo staat in de toelichting op het Besluit. De wijze waarop de procedure bij het UWV verloopt is neergelegd in de Regeling UWV Ontslagprocedure. [19]
herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’. [22] Met deze wettelijke verankering van de herplaatsingsplicht is de betekenis van de herplaatsingsplicht onder de Wwz groter geworden. [23] Vóór de Wwz toetste weliswaar het UWV op grond van zijn beleidsregels ook of voldaan was aan de herplaatsingsverplichting. Deze toetsing vond echter plaats via de toetsing van de redelijkheid van het ontslag. [24] Doordat er geen concrete uitwerking van deze verplichting bestond en tegen de beslissing van het UWV geen bezwaar of beroep mogelijk was, speelde de herplaatsingsverplichting in de praktijk geen grote rol.
herplaatsing .., al dan niet met behulp van scholing..”). Dat bij herplaatsing van de werknemer ook gekeken moet worden naar functies waarvoor de werknemer met behulp van scholing geschikt zal kunnen zijn, is ook vermeld in de toelichting op art. 9 lid 3 Ontslagregeling Pro: [25]
taken omvatvan een andere, vervallen, functie. In die situatie geldt het ‘omgekeerde afspiegelingsbeginsel’. [29] Ik kom daar onder 3.47 op terug.
binnen de categorie uitwisselbare functiesvoor en na de reorganisatie verhoudingsgewijs zoveel mogelijk gelijk blijft. [30] Zie de tekst van art. 11 lid 1 Ontslagregeling Pro:
voor zoverhet gaat om uitwisselbare functies, de werknemers in leeftijdsgroepen moeten worden ingedeeld, waarbij per leeftijdsgroep verhoudingsgewijs een gelijk aantal werknemers ontslagen wordt. Dit tweede uitgangspunt vervangt het tot 2005 geldende anciënniteitsbeginsel of ‘last in, first out-beginsel’, dat meer bescherming gaf aan oudere werknemers. [32] Toepassing van het anciënniteitsbeginsel kon ertoe leiden dat binnen een onderneming een onevenredige leeftijdsopbouw ontstond; het afspiegelingsbeginsel beoogt dat te voorkomen.
de functies vergelijkbaar zijn voor zover het betreft de inhoud van de functie, de voor de functie vereiste kennis, vaardigheden en competenties, en de tijdelijke of structurele aard van de functie; en
het niveau van de functie en de bij de functie behorende beloning gelijkwaardig zijn.
functiesuitwisselbaar zijn. Het gaat niet om de vraag of de werknemers die de betreffende functies vervullen uitwisselbaar zijn. Zie daarover de toelichting op art. 13 Ontslagregeling Pro: [34]
Verschil uitwisselbare en passende functie
beschrijvingen. Zoals gezegd onder 3.23, gaat het daarbij om (1) de inhoud van de functie, (2) de voor de functie vereiste kennis, (3) de voor de functie benodigde vaardigheden en competenties, (4) de tijdelijke of structurele aard van de functie, (5) het niveau van de functie en (6) de beloning voor de functie.
SalarisschaalEen verschil in salarisschaal duidt al snel op een verschil in functieniveau zodat functies niet gelijkwaardig zijn. Bij een verschil in beloning van één salarisschaal zal – gesteld dat aannemelijk is geworden dat de functies vergelijkbaar zijn – een inhoudelijke beoordeling dienen plaats te vinden of de functies ook gelijkwaardig zijn. Dat betekent dat een verschil van één salarisschaal een sterke aanwijzing is dat functies niet gelijkwaardig zijn. De salarisschaal die aan de functie is gekoppeld, is derhalve het uitgangspunt voor de bepaling van uitwisselbaarheid. Dit is dus niet perse de salarisschaal die aan een willekeurige werknemer met de desbetreffende functie daadwerkelijk is toegewezen dan wel die deze werknemer heeft weten te bedingen, maar de salarisschaal waarin de functie is ingedeeld. Indien aan twee werknemers in dezelfde functie een verschillende trede binnen de salarisschaal is toegekend, is ook dat (enkele) feit geen reden voor het oordeel dat er geen sprake is van uitwisselbare functies. Veelal zal een dergelijke toekenning een blijk van verschil in anciënniteit zijn.”
feitelijkis geplaatst, in mindere mate van belang. [37]
dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn’, heeft laten inspireren door deze oude Beleidsregels. Nu deze echter zijn vervallen met de inwerkingtreding van de Wwz en zijn vervangen door de Ontslagregeling en bijbehorende beleidsregels, kan aan de oude Beleidsregels geen betekenis meer worden toegekend. [44]
b. Overdrachtsperiode
voor de beoordeling van de uitwisselbaarheid van beide functies […] naast voornoemde criteria, alle omstandigheden van het geval belang [zijn].”
defactoren in het eerste lid’(mijn onderstreping). Ook dat wijst erop dat bedoeld is een limitatieve opsomming van factoren te geven.
‘In het tweede lid van dit artikel is geregeld datdezefactoren in onderlinge samenhang worden beoordeeld.’(mijn onderstreping)
. [48] Zie in vergelijkbare zin ook de volgende passage uit de toelichting op de Ontslagregeling (mijn onderstreping): [49]
het toetsingskader toch enigszins naast zich neer lijkt te leggen’, door de omstandigheden van het geval wel mee te wegen (p. 60). Wellicht is dat te verklaren, zo schrijft De Blécourt, doordat het om een kort geding gaat.
nietuitwisselbaar is met de nieuwe functie, heeft dat tot gevolg dat alle werknemers die werkzaam waren in de oude functie boventallig worden. Maar omdat de werkgever op grond van art. 7:669 lid 1 BW Pro een herplaatsingsplicht heeft, moeten deze werknemers in de gelegenheid worden gesteld om te solliciteren op passende functies die beschikbaar zijn (zie onder 3.12-3.15). Zoals onder 3.15 is vermeld, wordt de vraag of een functie passend is beoordeeld aan de hand van de kwaliteiten van de individuele werknemer. Anders dan bij ‘uitwisselbaarheid’, waar het gaat om de objectieve vergelijking van functies die los staat van de wijze waarop de individuele werknemer hem vervult, gaat het bij de vraag of een functie ‘passend’ is dus juist wél om de individuele kwaliteiten van de werknemer. Bovendien moet ook worden gekeken naar de functies waarvoor de werknemer binnen redelijke termijn met behulp van scholing geschikt gemaakt kan worden (zie onder 3.14). Ook op dit punt wijkt de beoordeling van een ‘passende functie’ dus af van de beoordeling van een ‘uitwisselbare functie’. Bij die laatste beoordeling wordt immers geen rekening gehouden met de mogelijkheid van scholing en ook niet met een inwerkperiode (zie onder 3.32).
Stoelendansmethode’
4.De bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelbestaat uit twee rechtsklachten. De eerste rechtsklacht (onder punt 16) richt zich tegen de volgende overweging in rov 3.3 uit het hofarrest:
derde onderdeelheeft betrekking op rov. 3.4.6, waarin het hof de functiebeschrijvingen van teamleider Airside Operations en Shiftleader met elkaar vergelijkt. Het hof overweegt dat het belangrijkste verschil in de beschrijvingen van het takenpakket en de functievereisten ligt op het terrein van de ‘beleidsvorming’, en dat dit een nieuw aspect is dat in de oude functie niet voorkwam. Volgens het hof is de betekenis die daaraan moet worden toegekend echter beperkt, omdat “
niet aannemelijk is dat de Shiftleaders een substantieel deel van hun tijd met de taak ‘beleidsvorming’ bezig zullen zijn (…)”. Verder overweegt het hof dat “
voor zover KLM met ‘beleidsvorming’ doelt op planmatig werken, inclusief het monitoren en toepassen van verbetermogelijkheden, dan is door [verweerders] dienaangaande gesteld dat dit onderdeel ook al voorkwam in de dagelijkse praktijk van de teamleiders”. In het onderdeel wordt aangevoerd dat het hof hier ten onrechte gewicht toekent aan de wijze waarop de werkzaamheden door [verweerders] in de praktijk werden uitgevoerd.
vierde onderdeelbevat een motiveringsklacht met betrekking tot rov. 3.10 en het dictum. Volgens het onderdeel is ’s hofs oordeel in rov. 3.10 en de daarop aansluitende beslissing in het dictum, tegenstrijdig met de overwegingen van het hof in rov. 3.7 en 3.8. In rov. 3.10 en het dictum veroordeelt het hof KLM namelijk om Bergsma toe te laten tot het verrichten van werkzaamheden als Shiftleader, “
totdat ofwel plaatsing door KLM in de functie van Shiftleader heeft plaatsgevonden, ofwel elk van hen na een aangezegde redelijke termijn van verbetering niet aan de functievereisten voor Shiftleader blijkt te voldoen.” Daarvóór, in rov. 3.7 en rov. 3.8, had het hof echter overwogen, kort samengevat, dat de uiteindelijke beslissing van KLM omtrent plaatsing afhankelijk zal (en mag) zijn, niet alleen van het functioneren van [verweerders] na hun tewerkstelling maar ook van omstandigheden als het aantal beschikbare kandidaten en vacatures en de noodzaak om af te spiegelen. Dit aspect komt echter niet terug in rov. 3.10 en evenmin in het dictum. Daarin is immers niet opgenomen dat niet tot een definitieve plaatsing wordt overgegaan, indien vast komt te staan dat [verweerders] daar op grond van het afspiegelingsbeginsel niet voor in aanmerking komen.
plaatsingin aanmerking komen. Vooruitlopend daarop moeten [verweerders] volgens het hof voorlopig
tewerk gesteldworden. Dat betekent dat als in een later stadium blijkt dat [verweerders] op grond van het afspiegelingsbeginsel
nietvoor plaatsing in aanmerking komen, zij alsnog boventallig worden.
verondersteltimmers dat [verweerders] volgens de methode van ‘omgekeerde afspiegeling’ daarvoor in aanmerking komen. Het hof hoefde dan ook niet nader op te nemen dat [verweerders] op grond van deze ‘omgekeerde afspiegeling’ voor plaatsing in aanmerking komen. In zoverre faalt de klacht.