Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in cassatie is overschreden.
tweede middelis gericht tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en komt – blijkens de toelichting – met name op tegen het passeren van de stellingen (1) dat de veroordeelde aanzienlijk minder aan verdovende middelen heeft uitgegeven dan de uitgaven die onder die noemer in de eenvoudige kasopstelling zijn opgenomen, en (2) dat de contante uitgaven deels zijn voldaan met geld uit een geldlening (van [betrokkene 1] ).
“Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het Openbaar Ministerie uitgaat van een drugsgebruik in de jaren 2012-2013 van 5 gram per dag á € 45,00 euro per gram welk totaalbedrag zal worden afgetrokken van het onverklaarbaar vermogen. Voorts is het vervolgprofijt ter terechtzitting van 8 januari 2016 tot die datum vastgesteld op € 1.422,98. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat voor het vervolgprofijt geen nieuwe berekening zal worden gemaakt na voornoemde datum. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 174.191,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
“De bewijsmiddelen:
en voor een gram cocaïne € 46,47. Het gemiddelde is daarom gesteld op € 45,- per gram.
Nadere overwegingen:
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
nietheeft verworpen. In zoverre mist de eerste deelklacht feitelijke grondslag.
in beslag genomen geldbedrag” [3] (€ 18.360,96) en de geldlening van [betrokkene 2] (€ 6000) thans onbesproken.
in minderingop de uitgavenzijde van de kasopstelling. Dat komt mij onbegrijpelijk voor. De contante uitgaven voor drugsgebruik behoren in een kasopstelling aan de uitgavenzijde te worden
opgeteld. Bovendien heeft het hof de (hoge) post aan contante uitgaven voor drugsgebruik over 2012-2013 (in totaal € 165.011,25) die reeds besloten ligt in het eerste bedrag van € 516.091,23 dat het hof heeft ontleend aan het financieel rapport, ongemoeid gelaten. Als het hof op rekenkundig correcte wijze uitvoering had gegeven aan zijn voornemen om de betrokkene tegemoet te komen door in zijn voordeel rekening te houden met een (aanzienlijk) geringer bedrag (€ 46.410) aan contante uitgaven voor drugsgebruik over de jaren 2012-2013 dan het bedrag van € 165.011,25, had het hof het bedrag van € 46.410 dus moeten optellen bij de uitgavenzijde van de kasopstelling (in plaats van aftrekken), en tegelijkertijd het bedrag van € 165.011,25 (dat in het financieel rapport is opgenomen onder de post contante uitgaven aan drugsgebruik over 2012-2013)
in minderingmoeten brengen op de uitgavenzijde van de kasopstelling. Nu is de betrokkene – door het hof kennelijk onbedoeld – benadeeld voor een bedrag € 72.191,25.
een grote geldschuld[had]
bij [betrokkene 1] in verband met verdovende middelen”. Deze informatie laat echter in het midden óf er een lening is verstrekt. Geldschulden kunnen immers ook op andere wijze dan door een verstrekte lening ontstaan. [4] De tweede deelklacht faalt.
derde middelbehelst de klacht dat het hof het vervolgprofijt niet, althans onvoldoende, heeft gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, althans dat het hof die beslissing onvoldoende met redenen heeft omkleed.
“[h]
et vervolgprofijt volgens opgave van de advocaat-generaal aan rente inkomsten vanaf de datum van inbeslagneming tot 8 januari 2016 € 1.422,98[bedraagt].” Daarmee heeft het hof mijn inziens met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging de feiten of omstandigheden aangeduid en het wettig bewijsmiddel (i.c. een geschrift als bedoeld in art. 344, eerste lid, sub 5, Sv) aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. In dat verband acht ik van belang dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 januari 2016 uitwijst dat dit geschrift aan de verdediging is verstrekt.