Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde middel
€ 304,253,37 +
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had panden gekocht met opbrengsten van Opiumwetdelicten en als leider deelgenomen aan een criminele organisatie. Het hof had het voordeel berekend via een eenvoudige kasopstelling en het vervolgprofijt door waardestijging van onroerende zaken.
De Hoge Raad herhaalt dat het voordeel dat ontnomen kan worden, bestaat uit het primaire voordeel rechtstreeks uit strafbare feiten en vervolgprofijt, zijnde voordeel uit baten van die strafbare feiten. De opvatting dat ontneming van vervolgprofijt alleen mogelijk is als het primaire voordeel vaststaat, wordt verworpen. Het hof had vastgesteld dat de panden in waarde waren gestegen en dat deze waardestijging niet mogelijk was zonder de eerdere aanwending van crimineel geld, waardoor het gehele bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. Wel is de redelijke termijn overschreden in de cassatiefase, wat leidt tot vermindering van de betalingsverplichting. Het arrest vernietigt het hofarrest alleen voor de hoogte van de betalingsverplichting en vermindert het bedrag tot € 809.150,-, het beroep wordt verder verworpen.
Uitkomst: De betalingsverplichting tot ontneming wordt verminderd tot € 809.150,- wegens overschrijding van de redelijke termijn; waardestijging van panden wordt als vervolgprofijt erkend.