Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
5 oktober 2016 opnieuw om een machtiging en een reden voor termijnoverschrijding heeft gevraagd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar bericht voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als binnen de gestelde termijn geen juiste machtiging en reden voor de termijnoverschrijding mocht worden ontvangen.
de kentekenhouder is opgelegd, dat aan de gemachtigde is verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden en dat deze machtiging niet is ontvangen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
30 december 1999 is binnen de termijn van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk, ongeacht of belanghebbende het bezwaarschrift heeft ingediend voor zichzelf, als degene die ten tijde van het parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had (vgl. HR 24 juli 2000, nr. 34578, BNB 2000/284, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5, derde volzin), dan wel als gemachtigde van de leasemaatschappij. De klachten treffen mitsdien doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de verzetzaak afdoen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
5.Beoordeling van de klachten
7 september 2016 de gemachtigde heeft verzocht om het bezwaar nader te motiveren. Dat heeft de gemachtigde evenwel nagelaten.