De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen in de periode 2003-2009. Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op circa €50.000, gebaseerd op transacties via money-transfers die betrokkene en zijn broers uitvoerden.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de geldbedragen die onderwerp waren van het bewezen verklaarde witwassen automatisch ook het wederrechtelijk voordeel vormen. Er ontbreekt een nadere motivering waarom betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten uit deze transacties. De enkele vaststelling dat de bedragen vermogensbestanddelen zijn die voordeel kunnen opleveren is onvoldoende.
De raadsman van betrokkene had betoogd dat alleen de bedragen waarbij betrokkene direct betrokken was mee moesten tellen en dat rekening gehouden moest worden met dubbeltellingen en vergoedingen. Het hof ging hier slechts deels in mee en baseerde zich op een schatting die niet voldoende onderbouwd is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een deugdelijke motivering. De strafrechtelijke veroordeling zelf blijft onbestreden.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en gemotiveerde vaststelling van het wederrechtelijk voordeel in ontnemingszaken, waarbij niet zonder meer kan worden uitgegaan van de bedragen die onderwerp zijn van het bewezen verklaarde witwassen.