Conclusie
eerste middelklaagt enerzijds dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het verweer/standpunt van de verdediging ter zake van het winstpercentage van de verkoopprijs van de verdovende middelen en anderzijds dat het hof is uitgegaan van een onjuiste, althans onbegrijpelijke verdeelsleutel bij de toerekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Handhaven weren eerste aanleg
bijlage 1), welke uiteenvielen in de reeds in de daaraan voorafgaande schriftelijke ronde weergegeven verweren (zie pagina's 2 en 3 van het pleidooi) alsmede aanvullende verweren (pagina's 3, 4 en 5 van het pleidooi). Al deze verweren worden hier herhaald en ingelast beschouwd.
“BEREKENING TRANSACTIEBASIS + EXTRAPOLATIE
cocaïnekocht hij per kilogram in voor € 29.000,- van een Nederlandse leverancier. Hij verkocht aan zijn afnemer voor € 35.000,- per kilogram. [betrokkene] maakte derhalve € 6.000,- per kilogram winst, derhalve een winstpercentage van € 17%.
hasjgold dat goede kwaliteit werd ingekocht voor € 3.000,- per kilogram en verkocht voor € 3.500,- per kilogram. Derhalve met een winstmarge van 14%. Slechtere hasj werd ingekocht voor ± € 1.800,- per kilogram en verkocht voor ± € 2.100,- per kilogram. Daarop maakte [betrokkene] "maar" € 300,- winst per kilogram, zijnde een winstpercentage van eveneens 14%.
SPECIFIEKE KRITIEK EN CORRECTIES OP B.O.O.M. BEREKENING(SMETHODE)
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 455.818.-
1.075.105,50
€ 151.492,04 +
Totaal: € 3.405.315.47
€ 3.375.515.47.
€ 799.029,26 -/-
NJ2008/596 [6] – werd het oordeel van de feitenrechter dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel aan de betrokkene moest worden toegerekend, zonder nadere motivering die ontbrak niet begrijpelijk geacht, waarbij in aanmerking werd genomen dat ten laste van de betrokkene bewezen was verklaard dat hij de hennepplanten tezamen en in vereniging met anderen had geteeld. Als ik het goed zie, lijkt de Hoge Raad in zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961,
NJ2013/517 een nuancering te hebben aangebracht door de eis van een actieve proceshouding bij de verdediging te benadrukken: is volgens de verdediging sprake van een bepaalde verdeelsleutel, dan zal zij dat van haar kant met de nodige onderbouwing aannemelijk moeten maken. Ik citeer uit voormeld arrest de volgende overwegingen:
NJ2016/493 m.nt. Keulen heeft de Hoge Raad daaromtrent het volgende overwogen:
Ten aanzien van de winstmarge (uitgangspunt V)” onder meer overwogen dat de betrokkene als leidinggevende zeer nauw betrokken is geweest bij de verkoop van harddrugs aan (buitenlandse) klanten. Deze hoofdrol betreft een relevante factor in het kader van de toerekening van het voordeel aan de bij een strafbaar feit betrokken persoon. [8] Daaraan voeg ik toe dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen heeft overgenomen en dat daaruit de leidinggevende rol van de betrokkene duidelijk naar voren komt. Zo wordt de betrokkene in een tapgesprek aangeduid als “voorzitter” (blad 50, gesprek 68). Daarnaast heeft het hof op correcte wijze rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdeelsleutel niet geheel opgaat ten aanzien van [medebetrokkene] , nu deze (voor zover bekend) eerst vanaf 15 januari 2008 (en niet al vanaf 1 januari 2007) aan de drugshandel heeft deelgenomen, en heeft het een door hem gesignaleerde rekenfout van de rechtbank hersteld. Ik meen dan ook dat het hof de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad over, kort gezegd, de toerekening naar rato van de strafoplegging niet heeft miskend. Het hof heeft met betrekking tot een ieder zo concreet mogelijk en met de gevraagde behoedzaamheid het toe te rekenen bedrag vastgesteld.
tweede middelklaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn van de berechting als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden.