Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat “fotografische opnames van gestolen eindexamenopgaven” en “een gegevensdrager met daarop opgeslagen afbeeldingen van eindexamenopgaven” kunnen worden aangemerkt als (van diefstal afkomstige) goederen, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte stoffelijke fotokopieën dan wel gegevensdragers voorhanden heeft gehad die zelf van diefstal afkomstig waren.
NJ2012/536 m.nt. Keijzer hadden de verdachte en zijn medeverdachte de aangever met geweld gedwongen zich aan het melden op zijn account in het online spel ‘Runescape‘ en virtuele objecten (een amulet en een masker) achter te laten in de virtuele spelomgeving. Vervolgens heeft de verdachte het virtuele amulet en het virtuele masker overgezet naar zijn eigen ‘Runescape-account’, waardoor de aangever de beschikkingsmacht over deze objecten is verloren. Het hof heeft de verdachte veroordeeld ter zake van gekwalificeerde diefstal met (bedreiging met) geweld en heeft daartoe geoordeeld dat het virtuele amulet en het virtuele masker in het online computerspel ‘Runescape’ kunnen worden aangemerkt als een ‘goed’ dat vatbaar is voor diefstal in de zin van art. 310 Sr Pro. Volgens de Hoge Raad geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de objecten voor de aangever, de verdachte en diens medeverdachte een reële waarde hebben, die van hen kan worden afgenomen, dat het gaat om waarden die door inspanning en tijdsinvestering zijn verworven, dat de aangever binnen het spel de feitelijke en exclusieve heerschappij over die objecten had en dat hij door het handelen van de verdachte en de medeverdachte de beschikkingsmacht over de objecten is verloren. De Hoge Raad overweegt in dit verband nog dat de enkele omstandigheid dat een object ook eigenschappen heeft van gegevens in de zin van art. 80quinquies Sr niet meebrengt dat dit object reeds daarom niet meer als goed in de zin van art. 310 Sr Pro kan worden aangemerkt. De Hoge Raad merkt op dat zich grensgevallen kunnen voordoen, waarbij de desbetreffende niet-stoffelijke zaken zowel kenmerken van een goed als van gegevens vertonen. In een dergelijk geval is de kwalificatie sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de waardering daarvan door de feitenrechter. [22]