Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
5 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een militaire medewerker die ervan werd verdacht zijn leidinggevende te hebben bewogen tot het verlenen van toestemming voor het opnemen van verlofuren die hij niet daadwerkelijk had, door het gebruik van listige kunstgrepen. Het hof had geoordeeld dat verlofuren een 'goed' zijn in de zin van art. 326 Sr Pro en veroordeelde verdachte voor oplichting.
De Hoge Raad stelt echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door verlofuren zonder meer als een 'goed' aan te merken. Verlofuren, hoewel op geld waardeerbaar, hebben geen zelfstandige functie in het economisch of maatschappelijk verkeer en raken niet uit de beschikkingsmacht van het bevoegd gezag. Hierdoor kan verlof niet worden beschouwd als een 'goed' in de zin van art. 326 Sr Pro.
Verder merkt de Hoge Raad op dat de tenlastelegging niet duidelijk aansluit bij de delictsomschrijving van art. 326 Sr Pro en dat het gedrag ook kenmerken vertoont van valsheid in geschrifte. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat verlofuren geen 'goed' zijn in de zin van art. 326 Sr.