Conclusie
de auditu-verklaringen van vier getuigen die [verweerster] hebben horen zeggen dat zij door gladheid is gevallen, maar zelf die val of de gladheid (m.b.t. dat laatste: met uitzondering van één andere getuige) niet hebben gezien) en juist te strenge eisen aan de zorgplicht van Ikea-medewerkers in deze (omdat de gladheidsbestrijding primair door ingeschakelde derden is gebeurd, met daarnaast controle op veiligheid bij de ingang door eigen Ikea-medewerkers en aan dat laatste te absolute eisen worden gesteld door het hof).
niethebben waargenomen, waarbij opvalt dat [betrokkene 5] wel weet dat er BHV-inzet is geweest, maar dat toch geen van beiden bij [verweerster] is geweest en haar heeft gesproken. Klaarblijkelijk worden de medewerkers van de zogenaamde “jourdienst” niet bij ieder incident betrokken. In dat licht lijkt de verklaring van [betrokkene 6] dat het
zijntaak zou zijn geweest om iets aan de gladheid te doen als hij destijds zou hebben gehoord dat [verweerster] volgens haar zeggen door gladheid was gevallen, niet te betekenen dat hij als enige die taak zou hebben gehad, maar in plaats daarvan de (jourdienst)medewerker tegen wie dat zou zijn gezegd. Daarmee is van weinig gewicht de verklaring van dezelfde getuige volgens welke hij het zou hebben geweten als hij op 20 februari 2013 zou hebben moeten strooien. Dat in de administratie van Ikea niet is terug te vinden dat er op 20 februari 2013 is gestrooid, moge zo zijn, maar legt tegenover het hiervoor bedoelde bewijs onvoldoende gewicht in de schaal. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat op het incidentenformulier staat dat [verweerster] door haar enkel is gegaan. Wat betreft dit laatste is vooral van belang dat [betrokkene 7] , die het formulier heeft ingevuld, als getuige anders heeft verklaard dan het formulier vermeldt.
onvoldoende gladheidsbestrijding door Ikea en door haar ingeschakelde hulppersonen: “Op de bij het tussenarrest aangeduide gronden” uit het zo-even in 1.5 geciteerde deel van rov. 2.17 van het eindarrest, waarop het hof in de eerste plaats Ikea’s aansprakelijkheid baseert, slaat klaarblijkelijk terug op de passage uit rov. 4.5 van het tussenarrest (hiervoor weergegeven in 1.4), dat bij door [verweerster] bewezen toedracht van de val “voldoende vast (staat) dat op 20 februari 2013 door Ikea en de door Ikea ingeschakelde hulppersonen onvoldoende aan gladheidsbestrijding is gedaan.” Na vaststelling bij eindarrest dat [verweerster] dit bewijs (van de toedracht) heeft geleverd, staat volgens het hof “op de bij het tussenarrest aangeduide gronden” aansprakelijkheid vast – dus dat kan dan alleen zijn: onvoldoende gladheidsbestrijding door Ikea èn de door Ikea ingeschakelde hulppersonen.
onvoldoende toezicht van Ikea-medewerkers op de veiligheid van de toegang tot de Ikea-vestiging. Dat is bij eindarrest overwogen in het vervolg van de zo-even in 1.5 geciteerde passage uit rov. 2.17 van het eindarrest: die Ikea-medewerkers waren volgens eigen instructie van Ikea verantwoordelijk voor controle van het gebied direct voor de ingang op de veiligheid voor bezoekers en nu [verweerster] door gladheid direct voor de ingang is gevallen, is die gladheid deze medewerkers ontgaan en dat levert aansprakelijkheid voor gevaarzetting op langs de weg van art. 6:170 BW Pro volgens het hof: met als reden dat hen deze gladheid niet had mogen ontgaan in het licht van de grootte van de kans op letselschade bij gladheid (mede gelet op de massaliteit van de bezoekersaantallen (5.000 per dag) en het “dagje uit”-karakter dat Ikea-bezoek kennelijk voor bepaalde bezoekers heeft, zoals werd overwogen in rov. 4.2. van het tussenarrest).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.ais dit onjuist, omdat de getuigenverklaringen waarop het hof zijn bewijsoordeel heeft gebaseerd niet berusten op eigen waarnemingen van de val van [verweerster] , maar op het relaas van [verweerster] zelf over de toedracht van de valpartij, terwijl dat laatste (in beginsel) onvoldoende is om aanvullend bewijs op te leveren dat [verweersters] partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt.
subonderdeel 1.bin ieder geval (mede) in het licht van de vereisten voor aanvullend bewijs onbegrijpelijk, omdat zonder nadere (maar niet gegeven) motivering niet valt in te zien dat de genoemde verklaringen zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen dat zij [verweersters] partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken, ook niet gelet op de eerdere delen van de getuigenverklaring van getuige [betrokkene 7] , namelijk:
equality of armsvloeit voort dat partijen in gelijke mate gerechtigd zijn bewijs voor hun stellingen aan te bieden en in dat opzicht niet ten koste van elkaar bevoordeeld mogen worden [7] .
unus testis, nullus testis [9] ). Dit voert blijkens de wetsgeschiedenis terug op de tijd dat er een verbod bestond voor een civiele partij om in eigen zaak te getuigen wegens “onvoldoende waarborgen voor objectiviteit en waarheidsliefde” [10] . Hoewel dit partijgetuigenverbod eerst is gehandhaafd in het regeringsontwerp van 1969 [11] , zorgde het rapport van een gezamenlijke adviescommissie van de NVvR en de NovA van een jaar later [12] voor een koerswijziging [13] . Het partijgetuigenverbod werd in het gewijzigd ontwerp van 1981 als een te vergaande remedie beschouwd. Redenen daarvoor waren onder meer dat van geen enkel bewijsmiddel gezegd kan worden dat het onder alle omstandigheden betrouwbaar is, het de rechterlijke macht is toevertrouwd omzichtigheid in acht te nemen bij duidelijk onbetrouwbare bewijsmiddelen en de uitsluiting van partijgetuigenverklaringen ook onbillijk kan uitwerken, bijvoorbeeld bij bewijsnood [14] . De nu geldende beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring is daar als het ware een overblijfsel van. Het is op 1 april 1988 ingevoerd als art. 213 lid 1 Rv Pro. Dit is in de parlementaire stukken nader als volgt toegelicht:
Meijering/Jan Meijer Vastgoed -arrest [22] . Volgens hem mag het “zodanig sterk” en “zodanige essentiële punten”-criterium uit de vaste rechtspraak niet te zwaar worden aangezet. Het criterium doelt volgens Asser vooral op de steun die de partijverklaring vindt in het overige bewijsmateriaal. Asser [23] formuleert het later nog duidelijker: het uit art. 164 lid 2 Rv Pro blijkende wantrouwen ten aanzien van de informatieve waarde van partijverklaringen is in zijn optiek
achterhaald. In ons huidige procesmodel wordt veel informatieve waarde gehecht aan de partijverklaringen ter (comparitie)zitting, veel meer dan de sterk door de bewijsrechtelijke traditie bepaalde regeling van de bewijskracht van de partijverklaring, zonder dat daarmee de vanzelfsprekende reserve ten opzichte van het waarheidsgehalte van partijverklaringen behoeft te worden opgegeven.
Strikwerda’s conclusies, Deventer, Kluwer 2011, p. 529-540; Asser/Asser Procesrecht 3 2013/263; R.H. de Bock,
Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure(diss. Tilburg), Deventer: Kluwer 2011, nr. 6.8.)
subonderdeel 1.abepleite aanscherping van de vereisten waar aanvullend bewijs op een partijgetuigenverklaring aan zou moeten voldoen, haaks staat op de moderne rechtsontwikkeling die in de richting gaat van afschaffen of afzwakken van die bewijskrachtbeperking zelf.
De Koperen Lantaarn/ [...] [33] , waarin Uw Raad in rov. 3.2 overwoog dat ook stellingen die op gegevens van horen zeggen van derden berusten, voor bewijs vatbaar zijn – zodat dit neerkomt op een a contrario redenering. Dit standpunt verdient naar ik meen geen navolging; dat gaat veel te ver. Als een verklaring van horen zeggen voor het bewijs wordt gebruikt, wordt het feit bewezen geacht dat iemand aan de getuige een mededeling heeft gedaan, en wordt uit dat feit een vermoeden geput dat die mededeling op waarheid berust [34] . Dat is in onze zaak ook gebeurd: het hof zag in de getuigenverklaring van [betrokkene 7] gewichtige aanknopingspunten voor de geloofwaardigheid van de verklaringen van [verweerster] en haar familieleden en was van oordeel dat daaraan een redelijke mate van zekerheid kan worden ontleend dat [verweerster] door gladheid ten val is gekomen [35] . Getuigenbewijs in de vorm van indirecte waarneming van het probandum is bepaald niet bijzonder – bijvoorbeeld bij een getuige die niet aanwezig was bij de totstandkoming van een koopovereenkomst, maar die wel één van de contractspartijen/procespartijen heeft horen zeggen dat de koop rond was. De verklaring van die getuige kan prima bijdragen aan het bewijs van de koopovereenkomst [36] .
voldoende geloofwaardigmaakt.
uitsluitendgebaseerd op van horen zeggen van [verweerster] .
valvan [verweerster] zelf. Dat is strikt genomen juist, maar voor althans de verklaring van de moeder van [verweerster] niet het hele verhaal. Zij heeft immers verklaard dat zij zelf niet had gemerkt dat het glad was of vroor en voorop liep toen haar dochter viel (en moeder heeft zodoende de val zelf van dochter inderdaad niet gezien). Zij verklaart evenwel daarop aansluitend dat toen zij zich omdraaide haar dochter op de grond lag en dat toen zij, moeder, naar haar toeliep zelf zag (“zag ik”) dat haar dochter “op een stuk ijs was uitgegleden”. Dat is alvast een belangrijke nuancering dat het hier wat het aanvullende bewijs over
de val door gladheidbetreft louter om van horen zeggen van [verweerster] zelf zou gaan. Dat klopt niet voor de verklaring van [verweersters] moeder over het zijn uitgegleden over een stuk ijs.
een stuk ijs was uitgegleden, zo heeft zij verklaard.
niet gemerkthad dat het glad was (voorstelbaar als het maar een klein glad stukje stoep betreft), maar vervolgens ook dat zij na de val zag dat haar dochter over een glad stuk ijs was uitgegleden. Ten aanzien van de moeder lijkt mij dan niet vol te houden dat zij niet zelf heeft waargenomen dat het (zij het zeer plaatselijk) glad was.
subonderdeel 2.a.
onvoldoende toezicht van Ikea-medewerkers op de veiligheid van de toegang tot de Ikea-vestiging.Vervolgens geeft subonderdeel 2.b aan wat door Ikea is aangevoerd over gladheidsbestrijding door door haar ingeschakelde derden en betoogt het subonderdeel dat het hof Ikea blijkens rov. 2.17 van het eindarrest niet aansprakelijk heeft geacht voor dit handelen van derde partijen die het buitenterrein vrij van gladheid moesten houden en ook niet heeft vastgesteld dat (werknemers van) deze derden onzorgvuldig of onrechtmatig zouden hebben gehandeld bij die gladheidsbestrijding (cassatiedagvaarding p. 9 onderaan, vgl. eveneens s.t. zijdens Ikea in 3.10). Nadat het subonderdeel opsomt wat door Ikea is aangevoerd over controle door Ikea op gladheidsbestrijding (cassatiedagvaarding p. 10 bovenaan), is de klacht dat het onrechtmatigheidsoordeel gelegen in de enkele omstandigheid dat [verweerster] is gevallen ten gevolge van zeer plaatselijke gladheid die Ikea-medewerkers is ontgaan, onjuist of onbegrijpelijk is. Het enkele resteren van zeer plaatselijke gladheid ondanks controles kan dat onrechtmatigheidsoordeel niet dragen, omdat de zorgplicht tot controle van of toezicht houden op gladheidsbestrijding door derden (in beginsel) niet zo ver gaat dat iedere gladheid, hoe beperkt ook, moet worden opgemerkt.
tweede foutwaar het hof Ikea’s aansprakelijkheid op baseert (onvoldoende toezicht van Ikea-medewerkers op veiligheid van de toegang tot de Ikea-vestiging, leidend tot aansprakelijkheid volgens art. 6:170 BW Pro). De klachten regarderen met zoveel woorden niet de
eerste foutdie het hof als grondslag ziet voor de aansprakelijkheid van Ikea, te weten onvoldoende gladheidsbestrijding, leidend tot aansprakelijkheid van Ikea
en van door Ikea ingeschakelde hulppersonenvolgens art. 6:162 BW Pro, die anders dan onderdeel 2 veronderstelt, wel degelijk is aangenomen en volgens mij bovendien zelfstandig, als eerste pijler, het aansprakelijkheidsoordeel van het hof draagt.
subonderdeel 2.b(cassatiedagvaarding p. 9 onderaan, vgl. ook s.t. zijdens Ikea in 3.10) dat het hof in rov. 2.17 van het eindarrest Ikea niet aansprakelijk zou houden voor het handelen van ingeschakelde gladheidsbestrijdende derden en hun werknemers, gaat, als hiervoor in 1.6 uiteengezet, uit van een verkeerde lezing van rov. 2.17 en mist zodoende feitelijke grondslag in het arrest.
subonderdeel 2.cdat het hof niet heeft geoordeeld dat Ikea niet is tekortgeschoten bij gladheidsbestrijding (cassatiedagvaarding p. 11 eennalaatste alinea onder c.) en de stelling in
subonderdeel 2.ddat het hof Ikea niet aansprakelijk heeft gehouden voor de uitbestede gladheidsbestrijdingsmaatregelen (cassatiedagvaarding p. 11 onder d.)
door Ikea en door haar ingeschakelde hulppersonen onvoldoende verrichte gladheidsbestrijding. In rov. 2.17 oordeelt het hof na bewijslevering van de toedracht door [verweerster] dat op die in het tussenarrest aangeduide gronden Ikea’s aansprakelijkheid vaststaat.
onvoldoende toezichtsgrond/fout van Ikea-medewerkersen uitsluitend daartegen richt zich onderdeel 2.