Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
“(…) daarop heb ik van [verweerder] een positief antwoord gekregen. Wel gaf hij aan dat er een kettingbeding in moest komen. Ik heb de handgeschreven afspraken in feite geverifieerd en toen de koopovereenkomst doorgenomen. Onder andere in verband met die bestuursdwang. [verweerder] heeft toen tegen mij gezegd dat hij de aanvullende bedingen in de koopovereenkomst akkoord vond als [B] dat ook zou vinden".Naar het oordeel van het hof blijkt ook uit deze verklaring niet dat op 30 maart 2010 tussen partijen al overeenstemming was bereikt, op welke vraag de bewijsopdracht ziet. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] dat [verweerder] in ieder geval op 8 april 2010 het concept nog aangepast wilde zien in verband met diens wens een kettingbeding op te nemen. Hierin valt steun te vinden voor het standpunt van [verweerder] dat de onderhandelingen op dat moment nog niet waren afgerond en dat er nog slechts sprake was van een (in het stuk van 30 maart 2010 vastgelegde) intentie om tot een overeenkomst van koop en verkoop te gaan komen.
“Ik heb de handgeschreven onderhandse akte gezien, dus daaruit weet ik wat er afgesproken is. (...) Over de inhoud van dat gesprek kan ik me[t] niet veel herinneren, naderhand toen er niet geleverd werd ben ik er meer ingedoken.(...)
Op 8 april ben ik bij een gesprek geweest dat plaatsvond in de kantine van het bedrijf van [verweerder] . (...) In dat gesprek is gesproken over het jachtrecht en verder weet ik het niet meer precies. De prijs was al bekend, maar we moeten ook wel haast over de containers gesproken hebben, want die moesten eraf. Ik weet niet meer of wij ook nog gesproken hebben over wat zich op het perceel bevond en wat er mee moest gebeuren anders dan de containers. Ik weet ook niet meer hoe we uit elkaar zijn gegaan na dat gesprek.”
“het handgeschreven contractje”(het stuk van 30 maart 2010) stond. En voorts:
'Er waren verschillende standpunten. Ik heb vervolgens naar aanleiding van het gesprek een concept overeenkomst opgesteld. In die overeenkomst heb ik de, in mijn perceptie, in het gesprek tussen partijen ge- maakte afspraken neergelegd. Of ze in de perceptie van partijen ook zo gemaakt zijn vind ik moeilijk te verklaren".
zei toen dat hij de grond weliswaar aan ons had verkocht, maar dat wij het niet zouden krijgen omdat hij het nodig had om andere plannen te realiseren. Eerder was mij ook al bekend geworden dat [verweerder] problemen had met de gemaakte afspraken omdat hij bleek zijn plannen met de resterende grond niet te kunnen realiseren. Ik weet niet meer precies wanneer dit conflict zich afspeelde. Het was zomers weer en het zou best al in 2011 geweest kunnen zijn. Van de afspraken die tussen partijen gemaakt zijn, weet ik van het bestaan van het handgeschreven A4’tje. Zoals gezegd, wij zijn een familiebedrijf dus ik ben wel gepolst over de plannen om de grond te gaan kopen. Wat de afgesproken prijs is weet ik niet precies, ik weet wel dat er eerst een lagere prijs is afgesproken, die wij overigens al hoog vonden. Later is die prijs nog weer verhoogd, in verband met de kosten die [verweerder] had moeten maken voor de aanwezige stallen en dergelijke. Ik dacht dat dat iets van € 20.000 of € 25.000,- is geweest, die verhoging. Ik weet niet precies wat er afgesproken is over die opstallen, maar als je daar meer voor betaalt dan lijkt het me ook logisch dat ze er bij in zitten. Ik meen mij ook te herinneren dat dat ook zo tegen mij gezegd is. Ook bij de verhoging van de prijs moesten wij even slikken, maar het is wel afgesproken. Om te voorkomen dat er weer een verhoging zou komen of andere onverwachte dingen is dat A4'tje opgemaakt met de concrete afspraken. Over de leveringsdatum weet ik niets en over de ontbindende voorwaarde ook niet. Ik weet wel dat het voor ons van wezenlijk belang was dat wij een weg zouden kunnen aanleggen over dat stuk grond. Het conflict ging uiteindelijk verder. [verweerder] zou bij de gemeente een verzoek zijn gaan indienen om tot handhaving te komen met betrekking tot onze bedrijfsvoering. Ik ben toen naar hem toe gegaan met de vraag of dat zo was en toen dat bleek, heb [29] ook de andere samenwerking die ik met [verweerder] had opgezegd. [verweerder] heeft toen herhaald wat hij eerder zei, dat hij hel wel aan ons had verkocht, maar dat hij het niet zou gaan leveren omdat hij het zelf nodig had. Bij dit gesprek was ook [betrokkene 5] aanwezig. Toen liep deze procedure al, dat was misschien al wel in 2012.”
zei ik wil jouw grond kopen. Ik dacht dat hij het weiland bedoelde en heb hem gezegd dat ik eerst de problemen met de paarden op moest lossen. Die waren hem bekend. Ik heb ook gezegd jij bent straks de eerste en het moet €125.000,- kosten. (…) Ik heb toen ook verteld dat ik de eigendom van de grond nog niet had. En weer gezegd dat ik eerst de problemen met de paarden op moest lossen. Dat ging over de goedkeuring die ik nodig had om de stallen te verplaatsen naar het perceel van [betrokkene 9] . Ik was daar met de gemeente over aan het steggelen. (…)
“Dat[het voeren van het gesprek op die datum]
heb ik onder druk gedaan en steeds gezegd ik ga niet tekenen want ik heb eerst nog veel problemen op te lossen. We hebben ook gesproken over het jachtrecht. Dat vond ik belangrijk (…) Verder wilde ik een recht van overpad over die weg en zo.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2);
onderdeel 3dat nader is toegelicht in
onderdelen 9-12); en
onderdelen 4-5 en 13-23).
onderdelen 1 en 24) en een algemene motiveringsklacht inhoudende dat het oordeel, dat [eiseres] niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, onbegrijpelijk is (gemotiveerd) (
onderdelen 1, 6 en 24).
Onderdelen 7-12bevatten geen (zelfstandige) klachten.
Onderdeel 2klaagt dat het hof zou hebben miskend dat het, met gebruikmaking van de Haviltex-maatstaf, eerst had moeten onderzoeken wat partijen in de akte hebben bedoeld en vervolgens van de dwingende bewijskracht van die verklaring moeten uitgaan.
preuve préconstituée) [36] en om die reden zijn aktes van grote betekenis voor de vaststelling van feiten. [37] Het belang van aktes komt ook tot uiting in hun bewijskracht. Ingevolge art. 157 lid 2 Rv Pro levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. De akte levert tussen partijen dus dwingend bewijs op (behoudens tegenbewijs) van twee elementen: ten eerste
dater is verklaard zoals in de akte staat (formele bewijskracht) en ten tweede dat hetgeen is verklaard de
waarheidis, althans tussen partijen als waar geldt (materiële bewijskracht). [38] Om vast te stellen wat de inhoud van de akte is, zal deze moeten worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf die geldt voor de betreffende rechtshandeling, waarbij wat betreft de in aanmerking te nemen omstandigheden echter alleen moet worden gelet op de akte zelf. [39] De rechter dient er vervolgens, behoudens tegenbewijs, [40] vanuit te gaan dat de inhoud van de akte tussen partijen als waar heeft te gelden. Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich ten bewijze van zijn geldvordering beroept op een onderhandse akte waarin zijn wederpartij in verband met een in de akte vermelde rechtsverhouding heeft verklaard een bepaalde geldsom aan hem te zullen betalen, hij daarmee in beginsel (behoudens tegenbewijs) zijn vorderingsrecht met betrekking tot die geldsom heeft bewezen, ook indien niet in de akte is uitgedrukt uit welken hoofde betaling aan hem dient te geschieden. [41]
onderdeel 2voor zover het betoogt dat het hof zou hebben miskend dat het, met gebruikmaking van de Haviltex-maatstaf, eerst had moeten onderzoeken wat partijen in de akte hebben bedoeld en vervolgens van de dwingende bewijskracht van die verklaring moeten uitgaan. Er komt slechts dwingende bewijskracht toe aan hetgeen in de akte is vermeld ten aanzien van een verklaring van een partij en niet aan een nadere uitleg op basis van de overige omstandigheden. In dit geval heeft het hof onbestreden vastgesteld dat in de akte een concrete, tot koop en verkoop strekkende, verklaring ontbreekt (rov. 10.5.). Die vaststelling kan het oordeel dragen dat de akte geen dwingend bewijs oplevert van een koopovereenkomst.
Onderdeel 2is daarom vergeefs voorgesteld.
onderdeel 3richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 10.5. van het eindarrest, waarin het hof de akte van 30 maart 2010 heeft beoordeeld. Waar
onderdeel 2van het middel zich richt tegen ’s hofs oordeel dat de akte geen dwingend bewijs oplevert van een koopovereenkomst (hiervoor randnummers 3.4-3.8), bestrijdt
onderdeel 3’s hofs oordeel dat de akte ook bij een vrije waardering van het bewijs overeenkomstig art. 152 Rv Pro niet aan dat bewijs kan bijdragen.
onderdeel 3dat ook wanneer de akte van 30 maart 2010 slechts vrije bewijskracht zou hebben, het hof deze akte kenbaar in zijn bewijswaardering had moeten betrekken: het hof heeft de akte in rov. 10.5. ten onrechte van zijn bewijswaardering uitgesloten en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 152 Rv Pro.
Onderdelen 9-12lichten nader toe dat het hof daarbij de Haviltex-maatstaf niet kenbaar heeft toegepast, omdat het bij de uitleg van hetgeen in de akte is verklaard niet het overige bewijs heeft betrokken; dit terwijl het hof in rov. 7.7. van het tweede tussenarrest [eiseres] juist had opgedragen om bewijs te leveren dat kon strekken tot aanvulling van het reeds aangedragen bewijs, waaronder de akte.
Onderdeel 3(gelezen in samenhang met de nadere toelichting in
onderdelen 9-12) klaagt echter dat het hof de Haviltex-maatstaf niet kenbaar heeft toegepast, omdat het de akte niet kenbaar in het licht van alle omstandigheden van het geval heeft beoordeeld.
onderdelen 9-12treft daarmee doel.
onderdelen 4-5 en 13-23klagen in essentie dat hof heeft nagelaten een aantal bewijsmiddelen in samenhang met de akte van 30 maart 2010 te bezien, dan wel deze in het geheel niet kenbaar heeft beoordeeld. Deze onderdelen hebben betrekking op:
onderdelen 4, 5 en 13);
onderdeel 14);
onderdelen 15 en 16);
onderdeel 17); en
onderdelen 18-23).
uitsluitendmag baseren op een getuigenverklaring van de partij die de bewijslast draagt. Deze verklaring kan wel bijdragen aan dat bewijs, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. [45] Het is daarom niet juist te stellen dat een verklaring van een partijgetuige reeds bij voorbaat van beperkte betekenis moet worden geacht: deze kan wel degelijk bijdragen aan het bewijs van gestelde feiten, mits ander bewijs voorhanden is waarin de verklaring steun vindt. [46]
Onderdeel 4klaagt dat het hof heeft miskend dat de verklaring van [betrokkene 1] strekte tot aanvulling op het reeds geleverde bewijs, waaronder de akte van 30 maart 2010, zodat de beperking van art. 164 lid 2 Rv Pro niet van toepassing was. Het onderdeel leest de betreffende overweging aldus dat het hof de verklaring van [betrokkene 1] van beperkte waarde heeft geacht, omdat hij partijgetuige is. Nu deze verklaring echter strekte tot aanvulling van ander bewijs, de akte van 30 maart 2010, was de beperking van art. 164 lid 2 niet Pro van toepassing.
onderdeel 4is uiteengezet (randnummers 3.19 e.v.), als aanvullend bewijs heeft te gelden zodat de beperking van art. 164 lid 2 Rv Pro niet aan de orde is).
onderdeel 5zal de getuigenverklaring van [betrokkene 1] immers hoe dan ook opnieuw dienen te worden beoordeeld.
onderdeel 14), de verklaring van notaris [de notaris] en de tekst van de door hem opgestelde nadere overeenkomst in rov. 10.9. (
onderdelen 15 en 16) en de verklaring van [betrokkene 7] in rov. 10.10. (
onderdeel 17). Ook wordt geklaagd dat het hof een aantal schriftelijke stukken, waaronder de brief van [verweerder] aan [eiseres] van 28 juli 2010 en het stuk getiteld ‘Begroting weiland’ (hierna ook randnummer 3.29), niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken, danwel niet in samenhang met het overige bewijs heeft beoordeeld (
onderdelen 18-23).
onderdelen 14-23.
onderdelen 1, 6 en 24slagen voor zover zij zijn gericht tegen de overweging dat de akte niet kan bijdragen aan het bewijs van het probandum en ten betoge strekken dat de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang hadden moeten worden beoordeeld.