Conclusie
)” € 2,8 miljoen schuldig te zijn aan [verweerder] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1-1.3hebben volgens [eisers] betrekking op de “bewijswaarde” die het hof heeft toegekend aan de akte van schuldbekentenis gedateerd op 1 januari 2007. Zakelijk weergegeven en samengevat wordt geklaagd dat het hof heeft miskend (i) dat niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 van haar vonnis dat in de akte van schuldbekentenis een handgeschreven goedschrift door [eisers] als bedoeld in art. 158 Rv Pro ontbreekt, (ii) dat voornoemde akte van schuldbekentenis tussen partijen geen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring omdat, zoals de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld, een goedschrift aan die akte ontbreekt en (iii) het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting van art. 158 lid 1 Rv Pro dan wel zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd indien het zou hebben gemeend dat art. 1 van Pro de akte van schuldbekentenis van 1 januari 2007 een goedschrift omvat omdat de beweerdelijke geldsom voluit in letters is vermeld.
temeer omdat een handgeschreven goedschrift door [eisers] als bedoeld in art. 158 Rv Pro in beide schuldbekentenissen ontbreekt.”
redenvoor de verschuldigdheid van dit bedrag.
subonderdelen 1.5 en 1.6zijn (kennelijk) gericht tegen de slotzin van rov. 11 waarin het hof heeft geoordeeld dat [eisers] “niet enig bewijsaanbod hebben gedaan”.
Lundiform/Mexx [18] , dat het hof heeft miskend dat het [eisers] tot het leveren van tegenbewijs had behoren toe te laten omdat [eisers] een andere uitleg van de onderhavige akte hebben verdedigd en ter zake voldoende hebben gesteld om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten en dat de eventuele andersluidende opvatting van het hof onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd.
subonderdeel 1.7, inhoudende dat het hof [eisers] ten onrechte niet heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de aanname dat zich bij de akte een bijlage bevond.
subonderdelen 1.8-1.10kunnen daarom vooralsnog onbesproken blijven.
subonderdeel 1.8.Die klacht behelst, samengevat, dat het hof heeft miskend dat het ingevolge art. 159 lid 2 Rv Pro, eerste volzin, geen bewijskracht aan het staatje kon toekennen, althans niet zonder door [verweerder] te leveren bewijs dat de handtekeningen afkomstig zijn van [betrokkene 1] , [eiser 5] en [eiser 3] .
onder b.geklaagd dat het hof, met zijn kennelijke overweging dat de personen die de verklaring (lijken te) hebben ingevuld en ondertekend niet onder ede zijn gehoord zodat deze verklaringen geen overtuigingskracht (kunnen) hebben, heeft miskend dat bewijs kan worden geleverd met alle middelen rechtens, althans dat het hof een onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven.
wélwaarde toekent. Dit laat ruimte voor de veronderstelling dat het hof aan de verklaringen van personen die niet onder ede zijn gehoord,
geen enkelewaarde toekent.
onder c.dat het hof, met zijn overweging dat bovengenoemde personen allen hun eigen motieven hebben, heeft miskend dat het hof zich niet mocht begeven in een voorbeschouwing van de als getuige afgelegde verklaring van deze personen, althans dat het hof aldus op onbegrijpelijke of ondeugdelijk onderbouwde wijze heeft beslist, mist feitelijke grondslag en faalt derhalve. Het hof heeft in de bestreden overweging niet geoordeeld over het al dan niet toestaan van een getuigenverhoor, in welk kader het ongeoorloofd is om vooruit te lopen op de waardering van het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.
onder d. dat het hof [eisers] ten onrechte niet heeft toegelaten om, in het kader van het te leveren tegenbewijs, de in rov. 17-17.1 genoemde personen als getuigen voort te brengen [26] .
gewoon belasting heeft betaald" [curs. hof] niet heeft onderbouwd met enig verifieerbaar bewijsstuk.”
bij gebreke van elk inzicht in omzet en winst kan niet gezegd worden dat de inbreng van € 2,8 miljoen daarmee geen verband kan houden. Daarbij is nog daargelaten of alle posten in de administratie zijn opgenomen.
voorkomen, impliceert niet dat er naar het oordeel van het hof ook sprake was van een naderend faillissement.