ECLI:NL:HR:2000:AA4278
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Jansen
- raadsheer Fleers
- raadsheer Hammerstein
- raadsheer Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslastverdeling bij betwisting echtheid onderhandse akte
In deze zaak vordert eiser onder meer schadevergoeding en afgifte van kunstwerken die hij stelt te hebben gekocht van de overleden oprichtster van een stichting. Verweerster, de stichting die uit een fusie is voortgekomen, betwist de echtheid van de overeenkomsten en schuldbekentenissen waarop eiser zich beroept. De rechtbank wees de vorderingen van eiser toe, maar het hof oordeelde dat de tekst van de overeenkomsten mogelijk later boven de handtekeningen is geplaatst, waardoor de echtheid betwist wordt.
Eiser stelde cassatie in tegen het tussenarrest van het hof dat hem tot tegenbewijs toeliet en verdere beslissing aanhield. De Hoge Raad overweegt dat volgens artikel 177 Rv Pro. de bewijslast voor valsheid van een onderhandse akte op de betwister rust, maar dat het hof ook omstandigheden zoals de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die zich op de akte beroept, mag meewegen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van eiser en bevestigt dat de rechter bij de beoordeling van de echtheid van een onderhandse akte grote vrijheid heeft bij de waardering van het bewijs. De overige klachten van eiser leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.