Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair, dat de erfdienstbaarheid van weg, zoals gevestigd bij akte van 23 augustus 1929, wordt opgeheven.
Subsidiairheeft [eiser] c.s. gevorderd dat de erfdienstbaarheid wordt gewijzigd in die zin dat de eigenaar van het dienend erf heeft te dulden dat gebruikers van het heersend erf gedurende vier keer een half uur per dag, welke momenten te bepalen zijn door de eigenaar van het heersend erf, uitsluitend te voet toegang tot dat erf hebben via het dienende erf. [4]
grieven 2 en 3komt School Vest op tegen deze beslissing. (...)
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nadeelvoor de eigenaar van het dienende erf te voorzien was [24] , maar of zich onvoorziene
omstandighedenhebben voorgedaan die tot een te zware belasting van het dienende erf hebben geleid. Was de omstandigheid die het nadeel in het leven riep, wel voorzien – d.w.z. is bij de vestiging van de erfdienstbaarheid deze omstandigheid door partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend verdisconteerd (...) – dan zou het in de meeste gevallen niet juist zijn desondanks een wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid mogelijk te maken op de enkele grond dat partijen niet tevens hadden voorzien het nadeel dat als gevolg van die omstandigheid zou intreden of de omvang daarvan.”
de iureuitsluitend strekt ten behoeve van het heersend erf, en dat men in die visie – waarin de erfdienstbaarheid voor een ander doel wordt gebruikt – niet behoeft toe te komen aan een onderzoek naar de omvang en begrenzing van de erfdienstbaarheid, waarvoor de titel (art. 738 BW Pro (oud)) beslissend is. In zijn lezing was het hof in rov. 14 van die visie uitgegaan toen het daarin – terecht – tot uitdrukking bracht dat geen nakoming van een erfdienstbaarheid kan worden gevraagd voor een ander dan het heersend erf, en was het niet uitgegaan van een verboden verzwaring in de zin van art. 738 BW Pro (oud).
e.en
f.wijkt deze zaak af van de zaak die leidde tot het arrest van 13 maart 1981 (6e volzin);
h.,kennelijk tot het oordeel gekomen dat sprake is van één van de twee daarin genoemde uitzonderingsgronden, te weten die van de ‘kennelijke functie van het heersend erf’ (zie het citaat hiervoor onder 2.10).
in dat kaderheeft verwezen naar de kennelijke functie van het heersend erf. Deze klacht is ook gericht tegen rov. 5 van het tussenarrest van 12 mei 2015 voor zover het hof daarin eveneens is uitgegaan van de toepasselijkheid van genoemde uitzonderingsgrond op de onderhavige zaak.
onderdeel I.3heeft het hof miskend dat het bij de toepassing van de tweede uitzonderingsgrond steeds moet gaan om de kennelijke functie van het heersende erf
ten tijde van de vestigingvan het recht van erfdienstbaarheid. Dit zou niet alleen volgen uit het voornoemde arrest van 13 maart 1981 maar ook uit de systematiek van de wet en de bedoeling van de wetgever. Deze klacht is ook gericht tegen rov. 5 van het tussenarrest van 12 mei 2015 voor zover het hof daarin eveneens de huidige kennelijke functie van het heersend erf tot uitgangspunt heeft genomen.
onderdelen I.5 en I.6berusten op de lezing dat het hof in de 9e en 10e volzin van rov. 1.3 heeft aangesloten bij de in het arrest van 13 maart 1981 genoemde uitzonderingsgrond (i) (de akte van vestiging).
onderdelen I.7, I.8 en I.9bevatten op de voorgaande middelonderdelen voortbouwende klachten die geen afzonderlijke bespreking behoeven.
vestigingthans nog aanwezig is.
Onderdeel II.2bouwt hierop voort en betoogt dat de vraag of School Vest een redelijk belang heeft, nu het daarbij gaat om de situatie ten tijde van de vestiging (onderdeel II.1), op de eerste plaats afhankelijk is van de uitleg – naar objectieve maatstaven – van de akte van vestiging.