Op 19 oktober 2013 werd te Bodegraven een poging tot woninginbraak gepleegd waarbij verdachte samen met drie anderen betrokken was. Het hof Den Haag veroordeelde verdachte tot drie maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van deze poging tot diefstal met braak.
De bewezenverklaring berustte op onder meer getuigenverklaringen van bewoners die verdachte en medeverdachten bij de woning zagen, het aantreffen van een gebruikte schroevendraaier in de auto waarin verdachte zat, forensisch werktuigsporenonderzoek dat de schroevendraaier koppelde aan braakschade aan het keukenraam, en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte over zijn aanwezigheid.
De Hoge Raad bevestigt dat voor medeplegen vereist is dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking en dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Het hof hoefde niet de precieze rolverdeling vast te stellen, vooral niet omdat verdachte en zijn medeverdachten geen geloofwaardige verklaring gaven. Het hof motiveerde voldoende waarom medeplegen werd aangenomen. Ook de strafmotivering voor de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voldeed aan de wettelijke eisen. Het cassatieberoep wordt verworpen.