Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf weken voor het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen.
Het hof had de strafoplegging gemotiveerd met verwijzing naar de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en een psychologisch rapport dat sprak van een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid. Tevens erkende het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en matigde de straf van dertien naar twaalf weken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, conform art. 359, zesde lid, Sv. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden door late verzending van stukken, wat een verdere matiging van de straf rechtvaardigde.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en matigde de gevangenisstraf tot elf weken. Het overige cassatieberoep werd verworpen. Hiermee werd het belang van een tijdige berechting benadrukt, zonder afbreuk te doen aan de inhoudelijke beoordeling van het hof.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf naar elf weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.