Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de door de betrokkene gemaakte transportkosten van € 338.483,20 niet in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen de naar Nigeria getransporteerde auto’s en de voertuigen die naar Ghana zijn vervoerd en dat het desbetreffende onderscheid “op geen enkele wijze” is gemotiveerd. Ten aanzien van het laatstgenoemde onderdeel mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers gemotiveerd waarop het genoemde onderscheid is gebaseerd. Het hof heeft vastgesteld dat uit de tapgesprekken naar voren is gekomen dat de betrokkene een actieve en bepalende rol heeft gespeeld bij de verkoop van auto’s in Nigeria, terwijl het hof in het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een “gelijkluidende rol” van de betrokkene ten aanzien van de verkoop van verscheepte auto’s in Ghana. Het hof heeft daarom alleen de naar Nigeria verscheepte containers in de voordeelsberekening betrokken. Het hof heeft daarmee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het geval in het middel, anders dan de formulering suggereert, ook een motiveringsklacht moet worden gelezen, faalt het eveneens. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, terwijl het hof tot een nadere motivering niet was gehouden.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de door de getuige [getuige] overgelegde stukken uit diens administratie ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd. Niet valt in te zien dat het hof in dit verband blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman heeft aangevoerd dat de naam van de betrokkene en zijn medeveroordeelde niet in de administratie van [getuige] worden genoemd, zodat niet duidelijk is of die administratie betrekking heeft op transporten die door de betrokkene zijn verricht. Het hof heeft in reactie op dit verweer overwogen dat [getuige] heeft verklaard dat alle containers die worden genoemd in de zich in het dossier bevindende stukken van zijn administratie door de betrokkene en zijn medeveroordeelde zijn besteld en betaald en daadwerkelijk voor hen naar Afrika zijn verscheept, met uitzondering van één of twee retour gekomen containers. Voorts heeft [getuige] verklaard dat hij alleen voor de betrokkene en de medeveroordeelde heeft verscheept. Het hof heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van deze getuige door de raadsman in hoger beroep niet is betwist. Voor het geval in het middel een motiveringsklacht moet worden gelezen, faalt het. Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven vaststellingen, is het oordeel van het hof dat de administratie van [getuige] ziet op transporten die door de betrokkene en zijn medeveroordeelde zijn verricht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
vierde middelbevat de klacht dat het hof de gehele ontnemingsvordering (ik neem aan dat de steller van het middel bedoelt: de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel) heeft gebaseerd op één getuige, te weten [getuige]. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak en mist daarmee feitelijke grondslag. Uit de aanvulling op het bestreden arrest blijkt immers dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op verschillende bewijsmiddelen steunt. Voorts wordt kennelijk miskend dat het bewijsminimumvoorschrift van art. 342, tweede lid, Sv in ontnemingszaken toepassing mist. [3]
vijfde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte vervolgprofijt in rekening heeft gebracht en de opbrengst van in beslag genomen voorwerpen niet in mindering heeft gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Met het
zesde middelwordt geklaagd over de vaststelling door het hof van de forfaitaire rente op twee procent. Ik lees de middelen aldus, dat deze ertoe strekken te klagen over het in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken van het vastgestelde vervolgprofijt, zoals weergegeven onder de aanhef ‘vervolgprofijt’ in het bestreden arrest. Het vijfde middel spitst zich toe op de gegenereerde rente tot een bedrag van € 2.045,63, terwijl het zesde middel is toegesneden op de door het hof in aanmerking genomen forfaitaire rente. De middelen lenen zich, aldus gelezen, voor een gezamenlijke bespreking.
Wederrechtelijk verkregen voordeel