Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
nietaannemelijk maakt dat hij op grond van de relevante feiten en omstandigheden van het geval niet wist en redelijkerwijs niet behoorde te weten dat de verschuldigde belasting niet zou (kunnen) worden voldaan, slaagt hij, aldus het Hof, niet in het van hem op grond van artikel 41, tweede lid, van de IW verlangde tegenbewijs’.
(…) [Belanghebbende] wist of had moeten weten hoeveel belasting (…)
[de B.V.] de Staat der Nederlanden schuldig bleef en had er als bestuurder voor moeten zorgen dat er voldoende verhaalsmogelijkheden zouden zijn’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
The Undersigned, [B] LTD, established and existing under the laws of Israel (…) owner of one hundred percent (100 %) of the issued and paid-up share capital of [A] Holdings B.V., (hereinafter referred to as the “Company”) (…) herewith represented (…) and [by] [X2], who are authorized to bind the Undersigned, hereby constitutes and appoints [X3] (…) as true and lawful representative, agent and proxy of the Undersigned (…) to vote all shares of the capital stock of the Company at the Extraordinary General Meeting of Shareholders of the Company, with all powers which the Undersigned would possess if personally present at the Extraordinary General Meeting of Shareholders of the Company, to be held in [R], the Netherlands, on 23 December, 2002, with the following agenda: [12]
3. Approval of the annual accounts and financial statements of the Company for the current financial year from January 1, 2002 up to and including 23 December, 2002;
25 maart 2016, nr. 15/02764, ECLI:NL:HR:2016:480, is verwoord (welk arrest betrekking heeft op de disculpatieregeling van artikel 36, vierde lid, IW): [21]
30 september en 24 december 2002 gewijzigde koersverhouding tussen euro en dollar. Niet aannemelijk is geworden dat op 24 december 2002 rekening werd gehouden met een lager bedrag aan verschuldigde belasting dan € 628.000. Met zijn stelling dat de accountant van [H] het niet nodig vond om op de balans een voorziening op te nemen voor door de BV verschuldigde belasting miskent belanghebbende dat op de passiefzijde van de balans nu juist een bedrag aan verschuldigde belasting was vermeld (na verrekening met het in het boekjaar 2002 verwachte verlies) van € 628.000 en dat de desbetreffende jaarstukken bovendien ‘unaudited’ jaarstukken betreffen, met daarbij de onder 2.5.1 weergegeven voorbehouden van de accountant. Ook in zoverre slaagt belanghebbende niet in het van hem op grond van artikel 41, tweede lid, IW verlangde bewijs.
24 december 2002, zoals blijkt uit de door hem ondertekende notulen van deze vergadering, namens het bestuur verantwoording heeft afgelegd over het boekjaar 2002 op basis van de onder 2.5 vermelde interim-jaarstukken en (als voorzitter van de AvA) het voorstel tot goedkeuring van deze jaarstukken in stemming heeft gebracht. In die interim-jaarstukken is gespecificeerd (in ‘note 7 Taxation’, zoals weergegeven onder 2.5.2) dat de over de boekjaren 2000 en 2001 verschuldigde vennootschapsbelasting zonder terugwenteling van het verlies over 2002 ruim € 1,7 miljoen bedroeg en dat het over 2002 verwachte valutaverlies resulteerde (als gevolg van de daaruit volgende mogelijkheid tot terugwenteling van het verlies over het boekjaar 2002) in een per saldo verschuldigd bedrag aan vennootschapsbelasting van € 628.000. Gelet hierop baat het standpunt dat hij niet wist dat er reeds aanslagen Vpb 2000 en 2001 waren opgelegd, belanghebbende in het kader van de disculpatieregeling niet; hij had dit redelijkerwijs behoren te weten, gelet op de zojuist genoemde interim-jaarstukken waarover hij zelf namens het bestuur van de BV verantwoording heeft afgelegd aan de AvA.
3.Het geding in cassatie
.Artikel 41 IW Pro ziet op de aansprakelijkheid van personen. Dat kunnen ook rechtspersonen zijn. Mocht men toch op zoek willen gaan naar een persoon die feitelijk beslissingen heeft genomen betreffende de verplaatsing, had de ontvanger kunnen onderzoeken wie bij [B] (en daarmee bij [A] Holding) de feitelijke beleidsbepaler is geweest. Mocht Uw Raad toch van mening zijn dat een juiste uitleg van "belast zijn met" betreft die personen die (voldoende) feitelijke werkzaamheden hebben verricht ten aanzien van de verplaatsing, ook dan kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven, nu het Hof is uitgegaan van een fictieve toerekening van (alle) feitelijke activiteiten aan de bestuurders, hetgeen een onjuiste maatstaf is. Het Hof verwijst in zijn overweging 4.3.13 naar r.o 6 van de rechtbank. De rechtbank gaat echter uit van een juridische onjuiste premisse, namelijk dat de bestuurders van [A] holding de bevoegdheid hadden om tot de verplaatsing naar Israël te besluiten. Zoals uiteengezet in het hoger beroepschrift (4.1.22) is dit juridisch onjuist. Daarmee is de motivering van de rechtbank en het Hof ontoereikend, en kan op basis hiervan niet de conclusie worden getrokken die het Hof trekt in 4.3.13.
4.Wet- en regelgeving, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
dd. 22 october 1942, nr. 153) staat: [40]
41 van de IW en de uitspraak van de Rechtbank in onderhavige zaak geschreven: [46]
5.Beoordeling van de middelen over en weer
die daartoe in de positie was, zich had moeten verzetten tegen de uitvoering van het zogeheten stappenplan. Zie de navolgende overweging van Rechtbank, als weergegeven in r.o. 4.3.1. van de Hofuitspraak: [57]
de vereffening of de verlegging belaste personen[onderstreping toegevoegd, A-G], behoudens voor zoover zij aantoonen, dat de niet voldoening niet aan hen te wijten is;
van wiens doen of laten de voldoening van de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting afhankelijk was[onderstreping toegevoegd, A-G].
de feitelijke machtte bezitten.
in het licht van de taken en positie van die bestuurder, onvoldoende zorg is betracht voor de voldoening van de door een lichaam verschuldigde belastingen. Waar het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, acht ik die onjuist.
substancedirecteur’. [79] Dit was, naar het mij voorkomt, de in feitelijk opzicht bescheiden positie van belanghebbende in de B.V.