Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Ten aanzien van [de BV]
Notes 30.09.2002 31.12.2001
55.805 52.370
58.288 53.886
1.786 7.717
882 182
7.563 12.674
65.851 66.560
Notes 30.09.2002 31.12.2001
137 125
65.851 66.560
002 2001
1.216 3.128
92 380
-1.1351.048
-1.188 2.047
30.09.2002 31.12.2001
783 1.427
30.09.2002 31.12.2001
-1.135 -
6.576 -
-
-1.135”
Notes 24.12.2002 31.12.2001
56.628 52.370
57.274 53.886
1.659 7.717
- 182
3.168 12.674
60.442 66.560
Notes 24.12.2002 31.12.2001
36 125
60.442 66.560
1.550 2.914
140 423
-2.850 1.939
30.09.2002 31.12.2001
- 1.427
24.12.2002
4
-
-
- 1.445
9.391 -
-
-2.027”
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Kamerstukken II1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 107):
feitelijkevestigingsplaats naar een locatie buiten Nederland is verplaatst. De vraag waar het desbetreffende lichaam feitelijk gevestigd is, moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Het Hof baseert deze interpretatie mede op de strekking van deze in de Invorderingswet opgenomen bepaling, te weten het vermijden dat een lichaam door de verplaatsing van haar ‘feitelijke werkzaamheden’ (zoals in de memorie van toelichting wordt vermeld), en daarmee (zo is kennelijk de gedachte geweest) van haar voor verhaal vatbare activa naar een plaats buiten Nederland, de verhaalsmogelijkheden op die activa bemoeilijkt, ongeacht de vraag of Nederland na de verplaatsing van de feitelijke leiding (beperkt) heffingsbevoegd blijft voor de vennootschaps- en dividendbelasting.
niet voldoenvan de belasting niet te wijten is aan de aansprakelijkgestelde. Het gaat hierbij volgens belanghebbende om de uiteindelijke (niet-)betaling van de belastingschuld en niet om het ontstaan van de (materiële) belastingschuld. Het gaat derhalve niet om verwijtbaar handelen, maar om de causaliteit tussen de niet-betaling van de verschuldigde belasting en het handelen of nalaten van de bestuurder. Van een dergelijke causaliteit is volgens belanghebbende in zijn geval geen sprake; in de jaren 1999 tot en met 2002 hebben geen handelingen plaatsgevonden waardoor de verhaalbaarheid van de vordering van de BV op de moedermaatschappij (waaruit de verschuldigde belasting had kunnen worden voldaan) is verminderd.
niet voldaanzijn van de verschuldigde belasting, en niet aan het ontstaan van de (materiële) belastingschuld, is het Hof van oordeel dat de (op de voet van het eerste lid) aansprakelijke op grond van deze bepaling feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit volgt dat het niet-betalen van de verschuldigde belasting aan andere omstandigheden is te wijten dan aan handelen of nalaten van de aansprakelijke. Of in deze context sprake is van handelen of nalaten dat aan de aansprakelijke is ‘te wijten’ dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Indien belanghebbende tegenover de betwisting door de ontvanger bijvoorbeeld niet aannemelijk maakt dat hij op grond van de relevante feiten en omstandigheden van het geval niet wist en redelijkerwijs niet behoorde te weten dat de verschuldigde belasting niet zou (kunnen) worden voldaan, slaagt hij niet in het van hem op grond van artikel 41, tweede lid, IW verlangde tegenbewijs.
niet voldoenvan deze belastingschuld niet aan de aansprakelijke is te wijten. De stelplicht en (bij betwisting) de bewijslast van de hiervoor relevante feiten en omstandigheden rust op belanghebbende.